Kantonrechter Rotterdam 10-07-2001 (Van der Wildt), JAR 2001, 151


Arbeidstijd. Overwerk.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 151.

De werkgever vordert bij wege van voorlopige voorziening dat de werknemer en een collega, beide monteurs, verplicht worden om gedurende een periode van negen maanden, extra werkzaamheden te verrichten ten aanzien van het verhelpen van storingen (consignatiediensten). Hij heeft onvoldoende personeel voor dit werk. Naar zijn mening is de werknemer als een goed werknemer gehouden aan zijn verzoek om extra te werken gehoor te geven. De werknemer voert aan dat zijn doordeweekse belasting al erg hoog is en dat hij al structureel moet overwerken. Hij heeft bovendien al gedurende een periode vrijwillig storingsdiensten gedraaid en moest dan bijna elke avond en in het weekend werken. De werknemer stelt dat dit een te zware belasting is. De kantonrechter stelt allereerst vast dat een werknemer niet op straffe van een dwangsom kan worden gedwongen werkzaamheden te verrichten. Meer inhoudelijk overweegt de rechter dat niet uit te sluiten valt dat toewijzing van het verzoek van de werkgever tot overtreding van de Arbeidstijdenwet zou leiden. De werkgever heeft de stelling van de werknemer dat hij in de periode dat hij vrijwillig extra storingsdiensten draaide nagenoeg elke avond en ook in het weekend moest werken onvoldoende weersproken. Dat betekent dat, indien de werknemer deze extra diensten moet verrichten naast zijn gewone werk, er een gerede kans is dat de Arbeidstijdenwet wordt overtreden. Daarnaast is de kantonrechter van mening dat ook een belangenafweging in het voordeel van de werknemer dient uit te vallen. Tot slot is over de overwerkkwestie een geschil aanhangig bij de bedrijfscommissie tussen de werkgever en de OR. Eventuele toewijzing van de vordering van de werkgever zou in een te vergaande mate op de uitkomst daarvan vooruitlopen

Terug naar overzicht