Kantonrechter Rotterdam 10-12-1999 (Kampert), Prg. 2000, 5424


Bedrijfsongeval. Bewijs. Verjaring.

Een werknemer overkomt in 1992 een bedrijfsongeval, waardoor letsel aan zijn elleboog is ontstaan. Vier jaar later, als de werknemer voor het eerst wordt geconfronteerd met arbeidsinkomstenverlies ten gevolge van langdurige uitval, stelt de werknemer zijn (inmiddels ex-)werkgever aansprakelijk. De werkgever ontkent het ongeval. De werknemer vordert schadevergoeding en biedt bewijs aan. De werkgever beroept zich op verjaring. De werknemer stelt dat de verjaring van zijn vordering niet is aangevangen op de dag waarop het schadeveroorzakend evenement heeft plaatsgevonden, maar ex art. 3:310 BW op de dag volgend op die waarop de werknemer met de schade bekend is geworden. De kantonrechter overweegt dat volgens de brief van zijn raadsman aan de verzekeringsmaatschappij, de werknemer na het ongeval drie weken wegens ziekte thuis is geweest en dat hij sindsdien regelmatig onder medische behandeling was. De vordering is dus onmiddellijk na het ongeval opeisbaar geworden omdat vanaf het moment van het ongeval de mogelijkheid van een schadepost aanwezig was. Volgens art. 3:317 lid 1 Rv wordt verjaring slechts gestuit door een schriftelijke aanmaning of voorbehoud van rechten. Aangezien uit de brief van de raadsman duidelijk blijkt dat de werknemer meent aanspraak te hebben op schadevergoeding waarover kan worden onderhandeld, is er geen sprake van stuiting van de verjaring. De kantonrechter wijst de vordering af.

Verder lezen
Terug naar overzicht