Kantonrechter Rotterdam 11-02-2000 (Veendendaal), Prg. 2001, 5755


Schorsing. Ziekte. Voorlopige voorziening. Loon. Goed werkgeverschap.

Een chef werkplaats raakt arbeidsongeschikt als gevolg van rugklachten. Na werkhervatting op arbeidstherapeutische basis werkt de werknemer tenslotte voor 80 tot 90%. Ruim een half jaar later wordt de werknemer voor onbepaalde tijd geschorst. Vervolgens wordt de werknemer voor zijn eigen werk arbeidsongeschikt geacht en voor de WAO voor 35-45% arbeidsongeschikt verklaard. Naast de WAO-uitkering ontvangt de werknemer een WW-uitkering. Drie maanden later kan de werknemer volgens de arbeidsdeskundige zijn eigen werk voor 80% uitvoeren. Het door de werkgever aangeboden ander werk acht de arbeidsdeskundige niet passend. Vervolgens vordert de werknemer bijvoorlopige voorziening wedertewerkstelling en doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. De werkgever weigert de werknemer te werk te stellen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid door het GAK is vastgesteld op 35-45%. In die beslissing is tevens aangegeven dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk zodat de werkgever niet gehouden is de werknemer weer tot zijn werkzaamheden toe te laten. Bovendien zijn de verhoudingen dusdanig verstoord dat de werknemer niet meer in zijn oude functie kan terugkeren. De kantonrechter overweegt dat niet gebleken is dat de periode waarin de werknemer op arbeidstherapeutische basis heeft gewerkt, heeft geleid tot problemen in de uitoefening van zijn functie. Hoewel de mate van arbeidsongeschiktheid door het GAK is vastgesteld, neemt dit niet weg dat de werknemer kan verlangen op basis van arbeidstherapie weer tot zijn werk te worden toegelaten. Het feit dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig is verstoord, dient echter niet in het kader van deze procedure beoordeeld te worden. Goed werkgeverschap brengt mee dat de werknemer in de gelegenheid moet worden gesteld op basis van arbeidstherapie zijn werkzaamheden te hervatten zodat de vordering van de werknemer in die zin zal worden toegewezen. Aangezien de toelating in het kader van arbeidstherapie de mate van arbeidsongeschiktheid onaangetast laat, zal de vordering tot loonbetaling worden afgewezen. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot toelating van de werknemer tot zijn werkzaamheden op verbeurte van een dwangsom van maximaal NLG 50.000,--. (Zie voor vervolg Pres Rb Rotterdam 30-03-2000, Prg. 2000, 5721)

Terug naar overzicht