Kantonrechter Rotterdam 11-04-2003 (Van der Wildt), JAR 2003, 138


Onverschuldigde betaling. Provisie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 138.

De werknemer is bij de werkgever, een verzekeringsmaatschappij, in dienst geweest als leven-inspecteur. Vanaf oktober 1999 is hij arbeidsongeschikt. De werknemer had naast zijn vaste salaris recht op provisie over de verzekeringsovereenkomsten die werden afgesloten door de assurantietussenpersonen die onder zijn inspectie ressorteerden. Uit hoofde van deze provisieregeling werd maandelijks in rekening courant de provisie geboekt waarop de werknemer aanspraak kon maken en werd tevens maandelijks aan hem een voorschot van NLG 6.000,-- betaald. Eens per jaar werd een eindafrekening opgesteld waarbij het saldo van de rekening courant werd uitbetaald. In februari 2000 is door de werkgever geconstateerd dat er over de jaren 1998 en 1999 fraude heeft plaatsgevonden door één van de assurantietussenpersonen. Deze heeft gefingeerde verzekeringsovereenkomsten opgegeven. De werkgever heeft over deze gefingeerde verzekeringsovereenkomsten provisie aan de werknemer betaald. Deze vordert hij thans terug uit hoofde van onverschuldigde betaling. De werknemer stelt daarentegen dat hem een te laag bedrag aan provisie is voldaan doordat bij de berekening van de aanvulling op zijn WAO-uitkering, die eind 2000 is ingegaan, geen rekening is gehouden met de over 1998 en 1999 betaalde provisie. De kantonrechter stelt vast dat een werkgever aan een werknemer wiens loon afhankelijk is van enig gegeven uit de boeken van de werkgever, dit loon tenminste éénmaal per jaar moet voldoen. Gelet hierop en gelet op de wijze waarop partijen aan de provisieregeling uitvoering hebben gegeven, is de werkgever naar het oordeel van de kantonrechter niet gerechtigd om de provisie over 1998 en 1999 van de werknemer terug te vorderen. De werknemer had part noch deel aan de fraude en het behoorde niet tot zijn taak om tussenpersonen op mogelijke fraude te controleren. Het belang van de werknemer bij zekerheid omtrent de hoogte van zijn inkomen weegt daarom zwaarder dan dat van de werkgever om de provisie terug te kunnen boeken. Dit geldt temeer, nu de provisie afhankelijk is gesteld van de inspanningen van derden en geen specifieke regeling is getroffen met het oog op mogelijke fraude. Een en ander ligt naar het oordeel van de kantonrechter anders vanaf het moment dat partijen weten dat er fraude is gepleegd. Vanaf dat moment wist de werknemer, of had dat moeten weten, dat door hem inkomsten zijn genoten waarop hij geen recht zou hebben gehad als de fraude eerder was uitgekomen. Voor zover aan de werknemer betalingen zijn gedaan na februari 2000 zijn deze daarom onverschuldigd betaald. De werkgever hoeft de provisie ook niet mee te nemen in de berekening van de aanvulling op de WAO-uitkering, nu deze na februari 2000 is ingegaan.

Terug naar overzicht