Kantonrechter Rotterdam 12-12-2002 (De Wildt), JAR 2003, 7


Ontbinding gewichtige redenen. Ontslag op staande voet. Schadeloosstelling. Wettelijke rente.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 7.

De werkgever heeft de werknemer met ingang van 10 juli 1997 op staande voet ontslagen. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden per 1 september 1997 onder toekenning aan de werknemer van een vergoeding van NLG 200.000,-- bruto. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de werkgever dit bedrag moet betalen uiterlijk vier weken nadat tussen partijen zal vaststaan dat de dienstbetrekking na 10 juli 1997 voortduurt. Bij vonnis van de rechtbank van 22 november 2001 is voor recht verklaard dat het ontslag op staande voet nietig is. De werkgever heeft daarop de ontbindingsvergoeding voldaan. De werknemer maakt thans nog aanspraak op betaling van de wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding vanaf 1 september 1997. De werkgever betwist deze verschuldigd te zijn. De kantonrechter overweegt dat, gelet op de beslissing van de Hoge Raad (HR 05-09-1997, De Bode/DHIJ, RvdW 1997, 163, NJ 1998, 421, JAR 1997, 215, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 237), een clausule in de ontbindingsbeschikking "voor zover rechtens vereist" niet anders kan betekenen dan dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst afhankelijk wordt gesteld van de nietigheid van het ontslag op staande voet en niet van (het in kracht van gewijsde gaan van) een uitspraak over die nietigheid. Indien de nietigheid in een later geding wordt geconstateerd, wordt het ontslag op staande voet geacht nimmer werking te hebben gehad. De ontbindingsbeschikking heeft dan ook geen andere werking dan als nimmer sprake zou zijn geweest van een ontslag op staande voet. Blijkens deze uitspraak van de Hoge Raad is de werkgever gehouden om de wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding te betalen vanaf de datum van de ontbinding. Hieraan doet niet af dat de ontbindingsrechter in casu een termijn van vier weken heeft genoemd vanaf de vaststelling dat de dienstbetrekking niet is geëindigd. De ontbindingsrechter heeft daarmee geen oordeel gegeven over het tijdstip van de opeisbaarheid van de vordering. De werkgever dient derhalve alsnog de wettelijke rente te betalen.

Terug naar overzicht