Kantonrechter Rotterdam 13-01-2003 (Verwoerd), JAR 2003, 82


Anciënniteitsbeginsel. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling. Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 82.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer, 25 jaar oud, drie jaar in dienst, laatstelijk als senior programmeur, salaris € 2.396,47 per maand inclusief vakantietoeslag en een dertiende maand. De werkgever houdt zich bezig met het detacheren van automatiseringspersoneel. De resultaten van de werkgever zijn vanaf 2001 teruggelopen. De werkgever heeft daarom tot een reorganisatie besloten. Met de OR is een sociaal plan overeengekomen waarin criteria zijn opgenomen voor de selectie van het personeel dat voor ontslag in aanmerking komt. Deze criteria zijn gebaseerd op bijlage B bij het Ontslagbesluit. De werknemer is voor ontslag voorgedragen omdat hij reeds geruime tijd niet meer voor opdrachtgevers werkzaam is en omdat hij over beperkte ervaring beschikt. De werknemer stelt dat de werkgever aldus ten onrechte van het anciënniteitsbeginsel is afgeweken. De kantonrechter overweegt dat van het uitgangspunt dat werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor beëindiging daarvan in aanmerking komen, onder omstandigheden kan worden afgeweken. Deze omstandigheden doen zich in onderhavig geval voor. Op de eerste plaats staat, gelet op zijn al geruime tijd ongunstige marktpositie, het bedrijfsorganisatorisch belang van de werkgever op gespannen voet met een onverkorte toepassing van het anciënniteitsbeginsel. In dit verband is het niet onredelijk dat de werkgever zich op het standpunt heeft gesteld dat vanwege zijn kernactiviteit – detachering van automatiseringspersoneel – aansluiting dient te worden gezocht bij de regeling van bijlage B van het Ontslagbesluit. Op de tweede plaats is de ratio van anciënniteitsregelingen gelegen in de zorgplicht van de werkgever jegens vooral de oudere werknemers, omdat zij veelal langer in dienst zijn en moeilijker ander werk kunnen vinden dan de jongere. De werknemer is, evenals zijn meeste collega's 25 jaar oud. Verder is niet alleen zijn positie op de arbeidsmarkt, maar ook die van zijn collega's onzeker. Deze omstandigheden pleiten dus evenmin voor onverkorte toepassing van het anciënniteitsbeginsel. Er is derhalve grond voor ontbinding met toekenning van de vergoeding – vier maanden salaris, zijnde € 9.586,-- – uit het sociaal plan.

Terug naar overzicht