Kantonrechter Rotterdam 14-08-2002 (Palstra), JAR 2002, 217


Directeur. Managementovereenkomst. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 217.

PGGM heeft aan de werkgever een dwangbevel betekend waarin deze is aangezegd dat hij premie dient te betalen voor het pensioen van de algemeen directeur. Deze functie wordt verricht door een vennootschap met wie de werkgever een managementovereenkomst heeft gesloten. In de praktijk verricht de enig aandeelhouder van de vennootschap de werkzaamheden. PGGM stelt dat de werkgever en de directeur de managementovereenkomst enkel zijn aangegaan om ervoor te zorgen dat de directeur niet onder de pensioenregeling van PGGM zou vallen. Zij acht deze constructie niet rechtsgeldig. Verder voert PGGM aan dat feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat de werkgever uit dien hoofde gehouden is om pensioenpremie af te dragen. De werkgever verzet zich tegen het dwangbevel. De kantonrechter stelt vast dat, als de directeur krachtens arbeidsovereenkomst bij de werkgever in dienst zou zijn, hij onder de pensioenregeling van PGGM zou vallen. De werkgever heeft erkend dat hij in strijd met zijn statuten handelt door de directeur zijn werkzaamheden niet op basis van een arbeidsovereenkomst te laten verrichten. De kantonrechter neemt aan dat de reden hiervoor is dat partijen een pensioenbreuk van de directeur hebben willen vermijden, welke pensioenbreuk zou zijn opgetreden als hij onder de pensioenregeling van PGGM was komen te vallen. De directeur zou dan van de functie hebben afgezien. Eén en ander brengt niet mee dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft met recht aangevoerd dat alleen natuurlijke personen als werknemer partij bij een arbeidsovereenkomst kunnen zijn. Dat betekent dat de overeenkomst tussen de werkgever en de vennootschap geen arbeidsovereenkomst kan zijn. Het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW biedt geen uitkomst omdat het daarbij gaat om situaties waarin onduidelijkheid bestaat over de rechtsverhouding tussen partijen. Deze onduidelijkheid was er in casu niet, nu partijen juist beoogden geen arbeidsovereenkomst te sluiten. Verder kunnen derden zich niet op dit rechtsvermoeden beroepen. Niet voor niets biedt de wetgeving de fiscus en de uitvoeringsinstellingen de ruimte om een fictieve dienstbetrekking aan te nemen. De Wet verplichte deelneming kent een dergelijke mogelijkheid niet. Het omzeilen van de pensioenregeling door de managementovereenkomst is niet prijzenswaardig. Van een nietige overeenkomst is echter geen sprake. Het dwangbevel wordt daarom buiten effect gesteld.

Terug naar overzicht