Kantonrechter Rotterdam 15-09-2003 (Verwoerd), JAR 2003, 234


Bereidheid bedongen arbeid. Loon. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 234.

De werkneemster is sinds november 1999 bij de werkgever in dienst als verkoopster. Op 14 januari 2002 is zij arbeidsongeschikt geworden. Op 12 februari 2003 is zij door Arbo-arts arbeidsgeschikt verklaard per 24 februari 2003. Op 15 mei 2003 heeft het UWV, in het kader van een second opinion, geoordeeld dat de werkneemster haar werk als verkoopster voor 32 uur per week niet kan uitvoeren, althans niet voor de volle 100% zoals de werkgever verlangt. Per fax van 13 juni 2003 heeft de werkgever aan de werkneemster bericht dat zij gereïntegreerd zou worden in een ander filiaal. Op 26 juni 2003 heeft de werkgever deze toezegging weer ingetrokken. De werkgever heeft bij wege van voorschot het loon tot 16 juni 2003 uitbetaald. De werkneemster stelt dat de werkgever ook na die tijd het loon moet blijven doorbetalen. De kantonrechter stelt vast dat de werkgever regelmatig heeft laten weten niet tevreden te zijn over de prestaties en gedragingen van de werkneemster en dat tussen partijen overleg heeft plaatsgevonden over een beëindiging van het dienstverband, echter zonder resultaat. De berichtgeving door het UWV blinkt, aldus de kantonrechter, niet uit in duidelijkheid. Daarnaast heeft de suggestie van de werkgever dat de werkneemster wellicht in aanmerking zou kunnen komen voor een WAO- of een WW-uitkering de communicatie niet bevorderd. De werkgever heeft slechts één niet geconcretiseerde toezegging tot reïntegratie gedaan, welke vervolgens weer is ingetrokken. De werkneemster heeft in februari en maart 2003 aangegeven niet akkoord te gaan met de beëindigingsvoorstellen en het werk te willen hervatten, voorzover haar gezondheid dat zou toelaten. In augustus 2003 heeft de werkneemster dat aanbod herhaald. De kantonrechter is van oordeel dat, gezien deze omstandigheden, de werkgever zich in redelijkheid niet kan beroepen op een te beperkte bereidheid van de werkneemster om weer aan het werk te gaan, nu de werkgever zichzelf allerminst happig heeft getoond om de werkneemster op nieuw in te zetten. Hierbij is van belang dat het in de eerste plaats op de weg van de werkgever ligt om de reïntegratie van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkneemster ter hand te nemen. De loonvordering is daarom toewijsbaar. De vordering tot tewerkstelling wordt toegewezen vanaf 6 oktober 2003 tenzij de werkgever vóór die datum een ontbindingsverzoek indient.

Terug naar overzicht