Kantonrechter Rotterdam 19-09-2000 (Kuip), JAR 2000, 243


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte. Opzegtermijn (art. XXI Flexwet). Gefixeerde schadevergoeding. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 243.

Een 57-jarige werknemer (28 jaar in dienst, salaris NLG 9.408,40 bruto per maand) wordt na twee jaar arbeidsongeschiktheid ontslagen met toestemming van de RDA. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk omdat zijn arbeidsongeschiktheid het gevolg is van structurele overbelasting (hetgeen wordt bevestigd door zijn behandelend psychiater) en er geen passende afvloeiingsregeling is getroffen. De werknemer vordert een schadevergoeding van NLG 396.279,-- bruto (gebaseerd op de kantonrechtersformule met correctiefactor 1) en maakt aanspraak op twee bruto maandsalarissen wegens het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn. De werkgever ontkent de werkdruk. De kantonrechter overweegt dat gezien de betwisting van de werkgever niet is komen vast te staan dat de arbeidsongeschiktheid door het werk is veroorzaakt. De werknemer heeft bovendien geen inzicht verschaft in de aard van zijn arbeidsongeschiktheid en de verklaring van de behandelend psychiater houdt geen medisch oordeel in. Wel is er sprake van een kennelijk onredelijke opzegging gezien het ontbreken van een passende afvloeiingsregeling, de leeftijd van de werknemer, de duur van de arbeidsovereenkomst en het verspelen van zijn VUT-rechten. Ook acht de kantonrechter aannemelijk dat de werknemer arbeidsongeschikt is geworden nadat hij lange tijd zijn werk onder grote werkdruk heeft gedaan. Verder acht de kantonrechter van belang dat de kantonrechtersformule ten behoeve van een ontbindingsprocedure niet zonder meer geldt in een kennelijk onredelijk ontslag procedure. Bovendien is de behandelingsduur van een RDA-procedure veel langer en dient een opzegtermijn in acht te worden genomen. Gelet op de omstandigheden acht de kantonrechter een schadevergoeding van NLG 50.000,-- bruto redelijk en billijk. De kantonrechter is met de werknemer van oordeel dat een te korte opzegtermijn in acht is genomen. Op grond van het overgangsrecht van art. XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid dient in dit geval een opzegtermijn van zes maanden in acht te worden genomen. Wel dient de kortingsregeling terzake van de RDA-procedure te worden toegepast. Volgens de wetsgeschiedenis heeft art. 7:672 lid 4 BW betrekking op de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn, ongeacht of deze de wettelijke of de contractuele opzegtermijn is en heeft de wetgever geen uitzondering willen maken voor oudere werknemers. De werknemer heeft derhalve recht op een gefixeerde schadevergoeding van één bruto maandsalaris vermeerderd met vakantietoeslag.

Terug naar overzicht