Kantonrechter Rotterdam 26-01-2000, 26-04-2000 (Bos), JAR 2000, 129


Loon. Ziekte (passende arbeid). Bereidheid bedongen arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 129.

Een werknemer, 20 jaar in dienst, salaris NLG 4.170,-- bruto per maand, wordt als gevolg van een hartaanval arbeidsongeschikt. Na enig herstel hervat de werknemer zijn werkzaamheden voor 70%. In maart 1998 concludeert het GAK dat de werkzaamheden niet passend zijn en de werkgever stuurt de werknemer naar huis omdat hij het niet verantwoord acht dat de werknemer zijn werkzaamheden voortzet. Vervolgens verzoekt de werkgever ontslagvergunning. Tegelijkertijd wordt de werknemer voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt verklaard. De werknemer tekent hiertegen bezwaar aan. Het bezwaar wordt afgewezen. Een onderzoek door de arbeidsdeskundige wijst uit dat het werk voor de werknemer te zwaar is, dat hij ongeschikt is voor zijn eigen werk en dat de werkgever geen passende werkzaamheden heeft. Op het beroep van de werknemer heeft de rechtbank nog niet beslist. De werknemer, die zich in staat acht zijn werkzaamheden al dan niet in aangepaste vorm te hervatten, stelt zich beschikbaar voor zijn eigen werk en vordert volledige werkhervatting en volledige doorbetaling van loon. De werknemer acht het oordeel van het GAK onzorgvuldig en betwist het rapport van de arbeidsdeskundige. De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde rapportage door het GAK en de arbeidsdeskundige blijkt dat werkhervatting niet goed mogelijk is en dat de werkgever veel reïntegratie-inspanningen heeft geleverd. De onderzoeken zijn zorgvuldig geweest. Omdat de werknemer dit betwist wordt hij toegelaten tot bewijslevering dat hij gezien zijn arbeidscapaciteit in staat moet worden geacht zijn eigen of ander werk te verrichten. Vervolgens beslist het GAK op 7 januari 2000, op het ingediende bezwaar, dat de werknemer met terugwerkende kracht vanaf 16 april 1999 weer geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. De werkgever stelt de werknemer weer te werk onder betaling van loon vanaf 1 februari 2000. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het belang van de bewijsopdracht daarmee is komen te vervallen. Met betrekking tot de vraag of de werkgever gehouden is het loon door te betalen vanaf 1 april 1999 is de kantonrechter van oordeel dat daarvoor geen reden is. De werknemer heeft op basis van de beoordeling van het GAK dat geen passend werk voor handen was, feitelijk niet meer gewerkt. De werkgever kon en mocht in redelijkheid afgaan op dit oordeel. Een zorgvuldige werkgever stelt zijn werknemers niet onnodig bloot aan door bevoegde instanties ingeschatte medische risico's. Dit geldt te meer omdat de werkgever aansprakelijk is voor de nadelige gevolgen van onverantwoordelijke tewerkstelling. De gevolgen van de latere wijziging van het oordeel van het GAK komt dan ook niet voor rekening van de werkgever. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht