Kantonrechter Rotterdam 26-09-2000 (Wetzels), JAR 2000, 229


Ontbinding gewichtige redenen. Vakantie (buitengewoon verlof). Overplaatsing. Goed werknemerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 229.

Een parttime verkoper, twee jaar in dienst, salaris NLG 1.832,22 bruto per maand, meldt zich ziek nadat de werkgever het verzoek om buitengewoon verlof voor een studiereis heeft afgewezen en gaat toch op reis. Bij terugkeer stelt de werknemer zich beschikbaar voor zijn werk en de werkgever biedt hem tijdelijk werk aan op een andere locatie. De werknemer acht de werkzaamheden niet passend. De klachtencommissie acht de afwijzing van het verzoek om buitengewoon verlof destijds niet deugdelijk gemotiveerd en de RDA wijst het verzoek om ontslagvergunning af. De werkgever biedt de werknemer vervolgens ander werk aan, wederom op een andere locatie. De werknemer beroept zich op zijn opschortingsrecht doch blijft bereid de bedongen arbeid te verrichten. De werkgever verzoekt vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op grond van een dringende reden omdat de werknemer hardnekkig weigert passend werk te verrichten. De kantonrechter overweegt onder verwijzing naar HR 26-06-1998 (Van der Lely/Hofman, RvdW 1998, 140, NJ 1998, 767, JAR 1998, 199, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 135) dat de werknemer zich als goed werknemer dient te gedragen en dat hij in het algemeen positief dient in te gaan op een redelijk voorstel van de werkgever, tenzij aanvaarding redelijkerwijze niet van hem kan worden gevergd. Van de werknemer had wel enige soepelheid mogen worden verwacht nu hij wist dat zijn verzoek om verlof was afgewezen en hij geen open kaart heeft gespeeld door zich ziek te melden. In dit geval is het gebruik van het opschortingsrecht in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Er was geen reden om aan te nemen dat de werkgever geen loon zou doorbetalen. Bovendien heeft de werkgever uitbetaling van het salaris geweigerd omdat de werknemer geweigerd heeft passende werkzaamheden te verrichten. De vraag of de eerste aangeboden functie passend was diende de werknemer aan de rechter voor te leggen. Aangezien de tweede functie wel passend was had hij deze moeten vervullen. Omdat er geen sprake is van het willens en wetens werk weigeren maar van dwaling inzake het recht tot opschorting van de arbeidsprestatie, kan de arbeidsovereenkomst niet op grond van dringende reden ontbonden worden. Wel op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zonder vergoeding nu de ontstane situatie voornamelijk aan werknemer is te wijten.

Verder lezen
Terug naar overzicht