Kantonrechter Rotterdam 28-09-2000 (Vlaswinkel), JAR 2000, 244


Goed werkgeverschap. Ziekte. Smartengeld.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 244.

Tussen een werknemer (29 jaar in dienst) en zijn werkgever ontstaat een loonconflict. Afgesproken wordt dat er ten kantore van de gemachtigde van de werknemer een gesprek zal plaatsvinden om tot een minnelijke regeling te komen. Een week voordat dit gesprek plaatsvindt, wordt de werknemer door één van de directeuren zodanig geïntimideerd dat hij overspannen raakt en sindsdien situationeel arbeidsongeschikt is. De werknemer stelt dat de werkgever niet als een goed werkgever heeft gehandeld en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter is het met de werknemer eens. De werkgever is niet alleen tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen door de werknemer niet het CAO-loon te betalen, ook de onheuse bejegening van de werknemer, de reactie op de ziekmelding en het gebrek aan reïntegratie-inspanningen leiden tot de conclusie dat de werkgever de norm van art. 7:611 BW heeft geschonden. Bovendien zou aan de werknemer ingeval de werkgever een ontslagvergunning zou hebben gevraagd, op grond van kennelijk onredelijk ontslag een billijke schadevergoeding zijn toegekend. Door dit te voorkomen heeft de werkgever zich niet als een goed werkgever gedragen (zie HR 01-07-1993, JAR 1993, 195, RvdW 1993, 156, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1993, blz. 111). De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer door het handelen en nalaten van de werkgever arbeidsongeschikt is geraakt en gebleven, daardoor inkomensschade heeft geleden, die aan de werkgever kan worden toegerekend. Het verweer dat de werknemer een te gevoelige persoonlijkheid is, moet worden verworpen omdat mag worden verondersteld dat de werkgever hiermee bekend was na een dienstverband van 29 jaar. De kantonrechter wijst de gevorderde schadevergoeding (verschil van de VUT-uitkering die de werknemer zou hebben ontvangen met de WAO-/WW-uitkering tot de pensioendatum?) van NLG 94.000,-- bruto toe. De gevorderde vergoeding van smartengeld wordt afgewezen omdat niet is gebleken van schending van art. 6:106 BW en de werknemer de duur van het belastende arbeidsconflict had kunnen beperken door in een vroeger stadium ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

Terug naar overzicht