Kantonrechter Rotterdam 31-03-1999, JAR 1999, 93 (Geerdes)


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (C=1; fictieve opzegtermijn).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 93.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een 37-jarige werknemer, 19 jaar in dienst, waarvan de eerste 10 jaar op parttime basis, salaris NLG 6.225,-- bruto per maand, op grond van disfunctioneren. De werknemer zou volgens zijn beoordelingen inhoudelijk wel goed functioneren doch niet op het interpersoonlijke vlak. Hij kan niet tegen kritiek en komt steeds in conflict met zijn leidinggevenden alsmede met zijn collega's en met klanten. De werknemer ontkent zijn disfunctioneren en stelt dat zijn beoordelingen redelijk tot goed waren. Er zijn echter problemen gerezen in verband met zijn onvrede over de wijze van inschaling. De werknemer erkent de verstoorde arbeidsverhouding en maakt ingeval van ontbinding aanspraak op een vergoeding van NLG 255.474,-- bruto. De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden omdat de werkgever en de werknemer op het persoonlijke vlak niet bij elkaar passen. Dit is niet in overwegende mate aan de werknemer toe te rekenen, zodat een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule waarbij C=1 redelijk is. Uitgaande van het fulltime dienstverband vanaf 1990 en enigszins rekeninghoudend met het daaraan voorafgaande parttime dienstverband, stelt de kantonrechter de vergoeding vast op NLG 75.000,-- bruto. De kantonrechter gaat niet in op het verzoek om de ontbindingsdatum twee maanden later uit te spreken, omdat de gevolgen van de Wet Flexibiliteit en zekerheid in het kader van het vaststellen van een ontbindingsdatum niet van belang zijn.

Terug naar overzicht