Kantonrechter 's-Gravenhage 05-03-2003 (Wiarda), JAR 2003, 94, JOR 2003, 123


Faillissement. Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 94.

De werknemer, 55 jaar oud, is op 17 november 1969 bij de (rechtsvoorganger van de) werkgever in dienst getreden en vervulde daar laatstelijk de functie van senior constructeur designer. Op 21 juni 2002 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. Direct na de faillietverklaring zijn de ongeveer 325 werknemers door de curator ontslagen met uitzondering van ongeveer 15 werknemers, waartoe de werknemer niet behoort, die nodig waren voor de afwikkeling van het faillissement. De werknemer stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat voor hem geen enkele financiële voorziening is getroffen, terwijl dit wel had gemoeten, gelet op de lengte van zijn dienstverband, zijn leeftijd en zijn positie op de arbeidsmarkt. De kantonrechter overweegt dat ook een ontslag tijdens faillissement kennelijk onredelijk kan zijn, gelet op het arrest van de Hoge Raad (HR 12-01-1990, Van Gelder Papier, RvdW 1990, 25, NJ 1990, 662), maar dat het dan wel moet gaan om uitzonderlijke gevallen. In onderhavig geval zijn noch de duur van het dienstverband van de werknemer, noch zijn leeftijd, noch zijn positie en perspectief op de arbeidsmarkt omstandigheden van zo uitzonderlijke aard, dat het voor ieder weldenkend en redelijk oordelend mens duidelijk is dat zijn ontslag – gegeven het faillissement van zijn werkgever en de staking van de bedrijfsuitoefening – als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd omdat in verband met dat ontslag voor hem geen aanvullende financiële voorziening is getroffen. Daarbij valt te bedenken dat een faillissementscurator bij de afwikkeling van de boedel rekening moet houden met meer belangen dan uitsluitend die van de ontslagen werknemers, en dat een faillissement een objectief feit is dat een daardoor noodzakelijk geworden ontslag niet zonder meer kennelijk onredelijk doet zijn.

Terug naar overzicht