Kantonrechter 's-Gravenhage 09-06-1999, JAR 1999, 155 (Lippmann)


Ontslag(name) op staande voet. Concurrentiebeding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 155.

Een taxichauffeur neemt met onmiddellijke ingang ontslag na een conflict over inhouding op zijn salaris in verband met een schadeafwikkeling. Als hij bij een ander taxibedrijf in dienst wil treden, laat zijn werkgever de taxicentrale weten een geschil te hebben met de werknemer, op grond waarvan deze niet in dienst mag treden bij een andere onderneming die bij de centrale is aangesloten. Dit zou in overeenstemming zijn met op de ledenvergadering gemaakte afspraken. De werknemer vordert dat de werkgever de centrale laat weten geen bezwaar tegen indiensttreding te hebben. De kantonrechter overweegt naar aanleiding van hetgeen uit de mondelinge behandeling naar voren is gekomen dat de werknemer zelf ontslag heeft genomen, de werkgever niet te kennen heeft gegeven daarmee akkoord te gaan en geen opzegtermijn in acht is genomen. Er is dan ook sprake van een onregelmatig ontslag. Daaraan doet niet af dat de werkgever met betrekking tot de schaderegeling afwijkt van de CAO-bepalingen. Kennelijk is er sprake van een arbeidsconflict. Het is echter de vraag of de gemaakte afspraak de werkgever bindt en tegen de werknemer gebruikt kan worden. De kantonrechter acht de mededeling van de werkgever aan de taxicentrale een te vergaand middel, temeer nu de werknemer niet gebonden was aan een concurrentiebeding. Het had, indien de werkgever het niet eens was met het onmiddellijke ontslag, meer voor de hand gelegen een civiele procedure bij de kantonrechter aan te spannen. Nu de werkgever dit niet heeft gedaan, wijst de kantonrechter de vordering toe en veroordeelt de werkgever te bevestigen onvoorwaardelijk geen bezwaar te hebben tegen de indiensttreding bij het andere taxibedrijf, op verbeurte van een dwangsom.

Terug naar overzicht