Kantonrechter 's-Gravenhage 12-12-2001 (Lippmann), JAR 2002, 5, JOR 2002, 42


Concurrentiebeding. Faillissement. Overgang onderneming.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 5.

Tussen de werkgever en de werknemers zijn non-concurrentiebedingen overeengekomen. De werkgever is op enig moment failliet verklaard. De curator heeft de non-concurrentiebedingen gematigd tot een klantenbeding voor de duur van zes maanden in plaats van een uitgebreid non-concurrentiebeding voor de duur van 18 respectievelijk 12 maanden. De curator heeft de arbeidsovereenkomsten van de werknemers opgezegd. In het kader van een doorstart heeft de curator kans gezien een deel van het personeel van de gefailleerde vennootschap te laten overgaan naar een doorstartende vennootschap. De werknemers zijn daar echter niet bij. In onderhavig geding vorderen de werknemers tenietdoening dan wel schorsing van het non-concurrentiebeding. De curator verzet zich ertegen omdat de werknemers, indien de vordering zou worden toegewezen, bij klanten van hun oude werkgever zouden kunnen gaan werken en daarmee de levenskansen van de doorstartende onderneming ernstig zouden bedreigen. De kantonrechter stelt vast dat er van de zes maanden van het non-concurrentiebeding reeds bijna drie maanden voorbij zijn. De kantonrechter merkt verder op dat het in zijn algemeenheid schrijnend is dat werknemers bij faillissement van hun werkgever niet alleen hun baan verliezen, maar ook nog aan een non-concurrentiebeding gebonden zijn. In het onderhavige geval is het echter voldoende aannemelijk geworden dat de curator terdege een belang heeft bij handhaving van het non-concurrentiebeding nu een aantal activiteiten en de orderportefeuille en het klantenbestand van de failliete onderneming geheel of ten dele zijn overgegaan naar de doorstartende onderneming. Indien de werknemers de klanten van deze onderneming zouden benaderen, zou dit de doodsteek van de onderneming kunnen betekenen. Onder deze omstandigheden komt het voor rekening en risico van de werknemers dat zij ervoor gekozen hebben om niet in dienst te treden van de doorstartende onderneming. Gelet ook op het feit dat de non-concurrentiebedingen reeds aanzienlijk gematigd zijn, dient in deze zaak het belang van de curator de doorslag te geven.

Terug naar overzicht