Kantonrechter 's-Gravenhage 14-11-2002 (Ten Cate), NJ 2003, 44


Loon. Passende arbeid. Ziekte.

Een apothekersassistente wordt na een jaar ziekte arbeidsgeschikt verklaard voor andere werkzaamheden dan haar eigen werkzaamheden. Binnen de organisatie van de werkgever zijn deze werkzaamheden echter niet voorhanden. De werkgever, die vervolgens het loon nog gedurende drie maanden doorbetaalt, stelt dat hij dit onverschuldigd heeft gedaan nu de werkneemster aanspraak had op een WW-uitkering. Hij vordert terugbetaling van de loonbetalingen. De kantonrechter acht het niet voorhanden zijn van passend werk voor rekening van de werkgever komend. Op grond van art. 7:628 lid 1 BW zijn de loonaanspraken in stand gebleven omdat er nog steeds sprake was van een arbeidsovereenkomst en de werkneemster op grond daarvan aanspraak kon maken op passend werk. De werkgever was op grond van art. 7:628 j° 7:629 BW niet ontslagen van zijn loondoorbetalingsplicht, zodat er geen sprake is van onverschuldigde betaling. De eventueel ontvangen uitkeringen kunnen wel in mindering worden gebracht op het door de werkgever doorbetaalde loon. De werkneemster heeft echter geen uitkering ontvangen en hiervan kan haar geen verwijt worden gemaakt. Er kan dus ook geen fictief bedrag in mindering worden gebracht op de verschuldigde loonbetalingen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat de afwijzing van de WW-uitkering mede is gebaseerd op de veronderstelling dat er nog loonaanspraken zouden zijn. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht