Kantonrechter 's-Gravenhage 25-04-2002 (Keizer), Prg. 2002, 5909


Bepaalde tijd. CAO.

De arbeidsovereenkomst van een werkneemster (voor de bepaalde tijd van twee jaar) wordt na verlenging met zes maanden niet voortgezet. De werkneemster stelt dat er op grond van de CAO geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, nu geen van de in de CAO genoemde vier gronden voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zich heeft voorgedaan, en de grond bovendien ook niet in de arbeidsovereenkomst is vermeld. Zij vordert een verklaring voor recht dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat, toelating tot haar werkzaamheden en doorbetaling van loon op straffe van een dwangsom. De kantonrechter is van oordeel dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, omdat het om werkzaamheden van tijdelijke aard ging. Dat die reden niet in de arbeidsovereenkomst staat vermeld, conform de CAO, leidt niet tot nietigheid van de arbeidsovereenkomst. De strekking van de CAO-bepaling is dat er geen misverstand bestaat over de inhoud van de reden van de tijdelijkheid. Hierover bestaat ook geen misverstand. De vraag is of er in feite sprake was van tijdelijkheid. In dit geval gaat het om werkzaamheden van een conservator communicatie. Deze werkzaamheden vormen een essentiële taak en zijn in die zin niet tijdelijk. Met tijdelijk hebben partijen niets anders bedoeld dan van korte duur in verband met de onzekere financiële positie van het museum als gevolg van verzelfstandiging. Die reden is in overeenstemming met de CAO. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht