Kantonrechter 's-Gravenhage 26-05-1999, JAR 1999, 125 (Lippmann)


Overgang onderneming. Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 125.

en werknemer tekent na een dienstverband van zeven jaar een arbeidsovereenkomst met een aan de werkgever gelieerde vennootschap. Deze vennootschap gaat acht maanden later failliet en werknemer's functie komt te vervallen. Als werknemer verhaal gaat zoeken bij de "oude" werkgever en hem mishandelt, wordt hij op staande voet ontslagen (voor zover er nog een arbeidsovereenkomst zou bestaan). De werknemer roept nietigheid in, doch niet binnen een termijn van zes maanden. Thans verzoekt de werknemer voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding. De werkgever stelt dat er geen arbeidsovereenkomst met de werknemer bestaat en dat de werknemer niet ontvankelijk is in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek, nu hij niet tijdig de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft ingeroepen. De werkgever verzoekt eveneens voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden, dus zonder vergoeding. De kantonrechter stelt vast dat de nietigheid van het ontslag op staande voet niet tijdig is ingeroepen en de eventuele arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet is geëindigd. De werknemer is derhalve niet ontvankelijk in het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Dit geldt eveneens voor de werkgever, die geen belang meer heeft bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst nu er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat. De kantonrechter verklaart beide partijen niet ontvankelijk.

Verder lezen
Terug naar overzicht