Kantonrechter 's-Gravenhage 27-08-2003 (Wiarda), KG 2003, 211, NJF 2003, 49, JAR 2003, 215


Competentie. Gezagsverhouding. Kennelijk onredelijk ontslag. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 215.

De werknemer, van Belgische nationaliteit, is van 1 november 1999 tot 1 maart 2002 als chef-kok in dienstverband werkzaam geweest bij de ambassadeur van Nederland in de Verenigde Staten. Per 1 maart 2002 is hij voor de opvolger van de ambassadeur gaan werken. Op 9 mei 2003 heeft de ambassadeur de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 9 juli 2003. Bij brief van 14 mei 2003, gesteld op briefpapier van de Nederlandse ambassade, is dit ontslag aan de werknemer bevestigd. Bij brief van 10 juli 2003 heeft de Staat aan de gemachtigde van de werknemer meegedeeld dat de werknemer niet in dienst was van de Staat, maar van de ambassadeur, en dat het gebruik van briefpapier van de ambassade onjuist was. De werknemer stelt primair dat hij in dienst was van de Nederlandse Staat en subsidiair dat hij in dienst was van de ambassadeur, maar dat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Verder is Nederlands recht van toepassing, aldus de werknemer, als het recht van het land waarmee de rechtsbetrekking tussen partijen het nauwste verbonden is. De werknemer stelt dat het ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk is. De Staat en de ambassadeur concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring. Naar het oordeel van de kantonrechter is het onvoldoende aannemelijk geworden dat er een arbeidsovereenkomst heeft bestaan tussen de werknemer en de Staat. De omstandigheid dat het ontslag aan de werknemer is bevestigd op het briefpapier van de Staat is het enige dat in die richting wijst. De Staat heeft echter aangegeven dat het gebruik van het briefpapier onjuist was. Verder wijzen vrijwel alle omstandigheden op een dienstverband met de ambassadeur, namelijk dat de werknemer eerder in dienst is geweest van de voormalige ambassadeur, dat hij na diens vertrek zijn werkzaamheden ongewijzigd heeft voortgezet voor de huidige ambassadeur, dat deze aan hem een arbeidsovereenkomst heeft voorgelegd die uitging van een contract tussen de werknemer en de ambassadeur, welk contract weliswaar niet is getekend maar wel in de praktijk is uitgevoerd, dat de werknemer woonde en werkte in de ambassade en deel uitmaakte van het huispersoneel en dat hij zijn salaris en kostendeclaraties per cheque door de ambassadeur betaald kreeg. Met betrekking tot de vorderingen tegen de ambassadeur overweegt de kantonrechter, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, dat de vorderingen beoordeeld moeten worden naar het recht van het District Columbia, VS, als de plaats waar beide partijen woonplaats hebben en waar de arbeidsovereenkomst moest worden uitgevoerd. In het kader van dit kort geding is echter te weinig informatie verstrekt over het in Columbia geldende recht om de vorderingen van de werknemer te beoordelen. Deze zijn daarom niet toewijsbaar.

Verder lezen
Terug naar overzicht