Kantonrechter 's-Hertogenbosch 14-03-2003 (Cremers), JAR 2003, 97


Anciënniteitsbeginsel. RDA-/CWI-vergunning. Schorsing.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 97.

In het kader van een reorganisatie heeft de werkgever de werkneemster, in dienst sinds 1978 als administratief medewerkster, uit haar functie ontheven en haar verwezen naar het jobcentre voor bemiddeling naar ander werk. De werkgever beroept zich daarbij op het afspiegelingsbeginsel. De toepassing van dit beginsel zou voortvloeien uit het met de vakorganisaties overeengekomen Sociaal Statuut. Bij de vestiging te Bernheze, waar de werkneemster werkt, werken 11 personen, voor het merendeel parttimers. Door de reorganisatie komt twee FTE te vervallen. De werkneemster valt met nog een collega in de categorie 35-44 jaar. De werkneemster stelt dat, nu er bij haar vestiging minder dan tien voltijd werknemers voor ontslag in aanmerking komen, er geen grond is, gelet op art. 4:2 Ontslagbesluit, om het afspiegelingsbeginsel toe te passen. Op grond van anciënniteit zou zij niet voor ontslag in aanmerking komen nu er vijf medewerkers in dienst zijn met een korter dienstverband. Zij vordert tewerkstelling. De kantonrechter stelt vast dat in deze procedure een ontslag formeel nog niet aan de orde is, maar dat dit wel onontkoombaar is als de werkneemster niet herplaatst kan worden. Daarom moet worden getoetst of het waarschijnlijk is dat door de CWI of de kantonrechter toestemming voor ontslag zal worden verleend. Zo nee, dan handelt de werkgever niet als een goed werkgever door de werkneemster nu reeds op non-actief te stellen. De kantonrechter stelt vervolgens vast dat op grond van het Ontslagbesluit het afspiegelingsbeginsel pas aan de orde komt als sprake is van een groepsontslag van tien of meer personen. In onderhavig geval doet dat zich niet voor. Daarbij dient alleen naar de vestiging te Bernheze gekeken te worden en niet naar de gehele onderneming. In het Sociaal Statuut staat dat "voor medewerkers van wie de functie komt te vervallen, het afspiegelingsen anciënniteitsbeginsel in acht worden genomen". Daaruit kan niet worden afgeleid dat beoogd is af te wijken van het Ontslagbesluit, indien dat überhaupt al mogelijk zou zijn. Van belang is voorts dat toepassing van het anciënniteitsbeginsel in onderhavig geval niet tot een onevenwichtige opbouw van het personeelsbestand zal leiden. Daarom is er geen grond waarom de werkneemster zou moeten wijken voor collega's die in 1990 en 1992 in dienst zijn gekomen en zelfs voor een medewerker die per 1 januari 2002 is aangesteld. Dit geldt temeer nu in het Sociaal Statuut zelf staat dat het toepassen van het afspiegelingsbeginsel niet zinvol is indien slechts enkele arbeidsplaatsen komen te vervallen.

Terug naar overzicht