Kantonrechter 's-Hertogenbosch 15-10-1998, Prg. 1999, 5167 (Povel)


Kennelijk onredelijk ontslag.

Een werknemer (ruim 17 maanden in dienst, salaris NLG 4.700,-- bruto per maand) wordt met toestemming van de RDA ontslagen wegens bedrijfssluiting. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en een schadevergoeding van NLG 52.650,--. De kantonrechter overweegt dat ontslag bij bedrijfssluiting een volstrekt vanzelfsprekende zaak is en dat noch gesteld noch gebleken is dat de werkgever de werknemer elders een plek in zijn onderneming had moeten bieden. Er is geen reden het ontslag kennelijk onredelijk te achten omdat er geen vergoeding is toegekend, gezien de periode gelegen tussen de mededeling c.q. de feitelijke beëindiging van het bedrijf en de datum van het ontslag. Met betrekking tot de vraag in hoeverre het redelijk is een werknemer te ontslaan wegens bedrijfssluiting als deze het gevolg is van tegenvallende resultaten veroorzaakt door onvoldoende investeringen, stelt de kantonrechter dat toetsing slechts marginaal kan zijn, nu het beleid ten aanzien van de bedrijfsvoering des werkgevers is. Ook is door de werknemer onvoldoende gesteld met betrekking tot onredelijkheid van de bedrijfssluiting. Onevenredige hardheid van de gevolgen van bedrijfssluiting kan aanleiding zijn tot het treffen van een afvloeiingsregeling, doch hiervan is geen sprake nu het salaris een aantal maanden is doorbetaald. Hoewel een gunstiger "afvloeiingsregeling" denkbaar zou zijn ingeval van een ontbindingsprocedure, is dit geen reden het ontslag als kennelijk onredelijk aan te merken. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht