Kantonrechter Schiedam 29-02-2000 (van Son), JAR 2000, 110


Ontslag(name) op staande voet (fraude). Wederzijds goedvinden. Ontbinding gewichtige redenen (voorwaardelijke). Schadeloosstelling (C=0,5).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 110.

Een 50-jarige werkneemster (acht jaar in dienst als verkoopster voor 16 uur per week, salaris NLG 1.130,54 netto per maand) wordt in gesprek met twee regiomanagers geheel onverwacht geconfronteerd met beschuldigingen van diefstal. De werkneemster zou op drie verschillende data bij controle door een controleteam (waarbij testaankopen werden verricht) niet strikt de kassa-instructies hebben nageleefd, door onder andere geen bon te overhandigen, de aankoop niet aan te slaan en het geld naast de kassa te laten liggen. De werkneemster wordt medegedeeld dat in een dergelijke situatie de politie wordt ingeschakeld. Zij voelt zich daardoor geïntimideerd en ondertekent een door de werkgever opgestelde ontslagbrief. Vier dagen later roept zij de nietigheid van het ontslag in, vordert tewerkstelling en doorbetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De werkgever verzoekt tegelijkertijd voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter acht vooralsnog aannemelijk dat de werkneemster haar wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet volledig in vrijheid heeft kunnen bepalen. Niet aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De vordering tewerkstelling wijst de kantonrechter af omdat er geen sprake meer kan zijn van een vruchtbare samenwerking en de werkneemster inmiddels heeft ingestemd met ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van het ontbindingsverzoek van de werkgever is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens gebrek aan wederzijds vertrouwen. Hoewel de werkneemster tot drie keer toe de kasinstructies onvoldoende nauwkeurig heeft opgevolgd, is niet gebleken dat de werkneemster zich geld heeft toegeëigend. Het had op de weg van de werkgever gelegen de werkneemster na de eerste onzorgvuldigheid te waarschuwen. Niet gebleken is van enige kritiek op het functioneren van de werkneemster. De kantonrechter acht daarom een correctiefactor van 0,5 billijk. De kantonrechter ontbindt met een vergoeding (bruto equivalent) van NLG 6.410,16 netto.

Terug naar overzicht