Kantonrechter Sittard 14-05-2003 (Verjans), JAR 2003, 156


Bepaalde tijd. Gezagsverhouding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 156.

De werkneemster is op 1 december 1999 voor de werkgever gaan werken als stewardess. De eerste overeenkomst was een traineeovereenkomst en is aangegaan voor de duur van acht weken. Daarna zijn tussen partijen nog drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. De laatste overeenkomst is door de werkgever niet verlengd. De werkneemster stelt dat de traineeovereenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst en dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Zij voert daartoe aan dat zij tijdens de traineeovereenkomst het minimumloon heeft ontvangen, dat zij regulier werk als stewardess heeft verricht, dat zij instructies moest opvolgen en dat zij niet de vrijheid had om niet te komen werken of afwezig te blijven. De werkgever voert aan dat partijen uitdrukkelijk hebben beoogd een opleidingsovereenkomst te sluiten en niet een arbeidsovereenkomst. De werkneemster zou alleen werkzaamheden hebben verricht die noodzakelijk waren om zich de functie van stewardess eigen te maken, zij kon de opleiding op elk moment beëindigen en zij ontving geen loon, maar een maandelijkse toelage ter compensatie van onkosten en geïnvesteerde vrije tijd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de traineeovereenkomst niet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Partijen zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat tussen hen geen sprake is van een arbeidsverhouding. Verder is afgesproken dat de werkneemster een vergoeding zou ontvangen ter voorziening in haar kosten van levensonderhoud en niet als tegenprestatie voor door haar te verrichten werk. De werkneemster diende voorts voor eigen rekening een verzekering af te sluiten voor de gevolgen van ongevallen en het risico van tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid. Verder staat vast dat de werkneemster tijdens de trainingsperiode geen recht had op vakantietoeslag en geen vakantiedagen opbouwde. De werkneemster heeft slechts op een beperkt aantal dagen daadwerkelijk gevlogen. Dat de aard van de werkzaamheden op die dagen de normale werksituatie benaderde ligt vanuit het oogpunt van opleiding voor de hand. Echter niet is aannemelijk geworden dat de werkzaamheden zodanige economische waarde hadden voor de werkgever dat gesproken moet worden van arbeid in de zin van art. 7:610 lid 1 BW. Tot slot is niet gebleken dat de werkneemster niet de vrijheid had om niet aanwezig te zijn tijdens de theorielessen of vliegtraining.

Terug naar overzicht