Kantonrechter Sittard 21-05-2003 (Verjans), JAR 2003, 157


Loon. Ziekte. Zwangerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 157.

Tussen partijen is een beëindigingsovereenkomst gesloten. Onderdeel daarvan was dat de werkgever een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand zou betalen van NLG 2.500,-- te vermeerderen met BTW. De gemachtigde van de werknemer heeft de werkgever terzake een factuur gestuurd, doch deze factuur is onbetaald gebleven. Daarop heeft de werknemer in rechte betaling van dit bedrag gevorderd. De werkgever beroept zich in de procedure op dwaling ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst. Daartoe stelt hij dat de werkneemster tegen het einde van de arbeidsovereenkomst ruim twee maanden ziek is geweest. De werkgever ging er bij het treffen van de beëindigingsregeling van uit dat er gedurende die periode aanspraak kon worden gemaakt op een ziekengelduitkering, mede omdat de werkneemster toen zwanger was. Gebleken is echter dat de werkneemster aan het GAK had meegedeeld dat zij ontslagen was. Daarom is zij nimmer in enige vangnetconstructie geplaatst en moet de werkgever het ziekengeld zelf betalen. De werkgever stelt dat de beëindigingsovereenkomst daarom partieel nietig is dan wel gedeeltelijk moet worden ontbonden. De kantonrechter overweegt dat een beroep op dwaling bij een vaststellingsovereenkomst tussen partijen slechts dan mogelijk is indien een onjuiste voorstelling van zaken bestond ten aanzien van hetgeen partijen als zeker en onbetwist aan de vaststellingsovereenkomst ten grondslag hebben gelegd. Onbetwist staat vast dat in casu de loondoorbetaling tijdens ziekte niet als zodanig in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Het verweer van de werkgever moet daarom worden verworpen. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat het rechtskarakter van de vaststellingsovereenkomst met zich brengt dat de gemaakte afspraken moeten worden geëerbiedigd. De vaststellingsovereenkomst heeft als doel en als gevolg dat de onzekerheid van een geschil wordt beëindigd of voorkomen. De verwachte aanspraak op een ziekengelduitkering berust op een subjectieve verwachting van de werkgever en het niet uitbetalen daarvan ligt in de risicosfeer van de werkgever zelf. De werkgever kan zich ten aanzien van een vraag waaromtrent hij in het onzekere verkeerde, niet met succes op dwaling beroepen. De vordering van de werknemer is daarom toewijsbaar.

Verder lezen
Terug naar overzicht