Kantonrechter Sneek 06-02-2002 (Terpstra), JAR 2002, 58


Bewijs. Gezagsverhouding (au pair overeenkomst arbeidsovereenkomst?).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 58.

Een kinderverzorgster, van Poolse nationaliteit en in het bezit van een diploma kinderverzorging, heeft gereageerd op een in een Poolse krant geplaatste advertentie waarin is gevraagd om een hulp in de huishouding ten behoeve van kinderen. Zij is van 10 oktober 1999 tot 11 augustus 2000 als au pair in het gezin werkzaam geweest. Zij stelt dat in feite sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Zij zou vanaf oktober 1999 tot mei 2000 hebben meegeholpen bij de verbouwingswerkzaamheden in de woning van het gezin, werkzaamheden hebben verricht in verband met de verhuur van appartementen in de woning en gedurende tenminste drie dagen per week verantwoordelijk zijn geweest voor het huishouden. De kantonrechter overweegt dat kenmerken van een au pair overeenkomst zijn: de korte duur (maximaal een jaar), het belang dat aan culturele uitwisseling wordt gehecht, het feit dat een au pair maximaal 30 uur per week oppaswerk en licht huishoudelijk werk mag doen en het feit dat zij hiervoor kost en inwoning en maximaal € 250,-- per maand ontvangt. Wordt hiervan afgeweken, dan kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. In casu is een au pair overeenkomst uitgangspunt geweest. Gelet hierop is art. 7:610a BW volgens de kantonrechter niet van toepassing. Het komt de kantonrechter voor dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om elke au pair overeenkomst op grond van het rechtsvermoeden te laten converteren in een arbeidsovereenkomst. Dit zou in strijd komen met het sui generis karakter van een au pair overeenkomst, ook al heeft deze beide elementen voor het rechtsvermoeden, loon en arbeid, in zich. In onderhavig geval heeft de au pair, nu zij opdrachtbriefjes heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij onder andere ramen moest schuren (en nog niet verven), ramen van appartementen moest nakijken, tuinstoelen en wc's moest schoonmaken etc., naar het oordeel van de rechter een begin van bewijs geleverd voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Zij wordt daarom in de gelegenheid gesteld meer en aanvullend bewijs te leveren. (Zie vervolg Kantonrechter Sneek 31-07-2002, JAR 2002, 237, hieronder).

Terug naar overzicht