Kantonrechter Terneuzen 18-07-2001 (Melens), JAR 2001, 167


Bepaalde tijd (opvolgende werkgevers). Uitzendarbeid. Bereidheid bedongen arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 167.

De werkneemster is op 13 januari 1997 bij Vedior Projecten Employment BV in dienst getreden tot aan 6 januari 1998. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot 6 januari 1999. Met ingang van 30 november 1998 heeft de werkneemster ontslag genomen en op 1 december 1998 is zij in dienst getreden bij Vedior Uitzendbureau voor de duur van een jaar. Per 1 december 1999 is de werkneemster wederom bij Vedior Uitzendbureau gaan werken voor de duur van zes maanden. Vanaf 30 maart 2000 heeft zij niet meer gewerkt. De werkneemster stelt dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW. De laatste arbeidsovereenkomst zou daarom voor onbepaalde tijd gelden. Zij zou in overspannen gemoedstoestand ontslag hebben genomen, waarop zij echter later is teruggekomen. Daarom vordert zij thans loon vanaf 30 maart (NLG 711,04 bruto per week). Ter ondersteuning van haar vordering voert de werkneemster aan dat de verschillende vennootschappen van Vedior als één organisatie beschouwd moeten worden en dat zij steeds bij dezelfde werkgever tewerkgesteld is en vergelijkbaar werk verrichtte. Vedior betwist dit. De kantonrechter stelt vast dat art. 7:668a lid 1 BW van toepassing zou zijn indien Vedior Uitzendbureau geacht moet worden de opvolger van Vedior Projecten te zijn. Dit is echter niet het geval, alleen al niet omdat de werkneemster de tweede arbeidsovereenkomst met Vedior Projecten zelf heeft beëindigd. De ratio van art. 7:668a BW is de werknemer te beschermen tegen het gebruik van constructies die erop gericht zijn de dwingendrechtelijke bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van een werknemer te ontgaan. De werknemer die zelf ontslag neemt en vervolgens bij een zustervennootschap in dienst treedt om bij dezelfde inlener te gaan werken kan op die bescherming geen aanspraak maken. Verder is niet aangetoond dat de werkneemster nog na 30 maart 2000 bereid was de bedongen arbeid te verrichten. Haar loonvordering is dan ook niet toewijsbaar

Verder lezen
Terug naar overzicht