Kantonrechter Tilburg 04-06-2003 (Godrie), Prg. 2003, 6130


Ontbinding gewichtige redenen. Pensioen. Wederzijds goedvinden.

De arbeidsovereenkomst van een personeelsfunctionaris (bijna zeven jaar in dienst) wordt met wederzijds goedvinden ontbonden op 31 december 1996 met een beëindigingsvergoeding ter finale kwijting. Voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt de werknemer ziek en één jaar later komt hij in de WAO. De ex-werknemer vordert thans van het pensioenfonds een schriftelijk bewijs van premievrije voortzetting van zijn pensioenopbouw en te verklaren dat zijn ouderdomspensioen € 17.294,-- en zijn arbeidsongeschiktheidspensioen € 13.511,-- per jaar bedraagt. Hij vordert van zijn ex-werkgever betaling van de actuele contante waarde van de premievrije pensioenaanspraken en betaling van achterstallige en toekomstige termijnen van arbeidsongeschiktheidspensioenen ten bedrage van € 374.711,--. Subsidiair vordert de ex-werknemer dit bedrag als schadevergoeding. De werknemer stelt dat door het pensioenfonds ten onrechte geen arbeidsongeschiktheidspensioen is uitgekeerd als aanvulling op zijn WAO-uitkering gedurende de eerste drie jaar en ten onrechte geen premievrije voortzetting van de pensioenopbouw is toegekend. De werkgever stelt dat in de beëindigingsovereenkomst op verzoek van de werknemer uitdrukkelijk is bepaald dat de tijdsevenredige opgebouwde pensioenaanspraken zouden worden afgefinancierd, ter finale kwijting. Wegens het einde van de arbeidsovereenkomst voldeed de ex-werknemer niet meer aan de criteria van het begrip "deelnemer" uit het pensioenreglement en is hij ook niet aan te merken als gewezen deelnemer, omdat daarvoor vereist is dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd tijdens de WAO-periode door opzegging door de werkgever. De mogelijkheid van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid bestond dus niet voor de werknemer. Het pensioenfonds stelt dat de werknemer het verlies aan pensioenaanspraken geheel aan zichzelf respectievelijk zijn raadsman te wijten heeft, nu hij zelf affinanciering van zijn pensioen in zijn beëindigingsovereenkomst is overeengekomen. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer een beroep op dwaling niet toekomt, noch jegens de werkgever noch jegens het pensioenfonds. Een onvoorwaardelijke inlichtingenplicht kan niet worden aangenomen. Bovendien is er geen plausibele reden aangevoerd waarom de werkgever wist of moest weten dat er van een aanhoudende arbeidsongeschiktheid sprake was. Het had eerder op de weg van de werknemer als personeelsfunctionaris gelegen zich de gevolgen van de ontbinding voor de pensioensituatie te realiseren. Noch de werkgever noch het pensioenfonds zijn tekortgeschoten en zij dragen niet het risico voor de WAO-implicaties. Aangezien ook het pensioenreglement niet ziet op de situatie waarin de werknemer zich bevindt, dienen de vorderingen van de werknemer te worden afgewezen

Terug naar overzicht