Kantonrechter Tilburg 23-11-2000 (De Boer), Prg. 2000, 5586


Bepaalde tijd. Loon (overgangsrecht Wet Flexibiliteit en zekerheid).

De arbeidsovereenkomst van een medewerkster huishoudelijke dienst (voor bepaalde tijd van één jaar, op basis van 16 uur per week; salaris NLG 1.218,72 bruto per maand) eindigt na twee keer (in november 1998 en in 1999) verlengd te zijn geweest. De werkneemster die arbeidsongeschikt is, stelt dat de arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen omdat de RDA geen toestemming heeft gegeven tot opzegging en vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon. Onder verwijzing naar het overgangsrecht art. XIX Wet Flexibiliteit en zekerheid stelt de werkgever dat de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:668a BW van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van art. XIX lid 2 art. 7:668a BW pas van toepassing is indien een volgende arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. Volgens de CAO die gold voor 1 januari 1999 was na de eerste verlenging geen opzegging vereist maar zou de arbeidsovereenkomst van rechtswege zijn geëindigd per 1 november 1999. De arbeidsovereenkomst is echter verlengd en daardoor werd per 1 november 2000 art. 7:668a BW van kracht. Nu de drie elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in totaal niet meer dan 36 maanden hebben geduurd, is de laatste van de drie van rechtswege geëindigd. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht