Kantonrechter Tilburg 24-12-1998, Prg. 1999, 5127 (Poeth)


Ontbinding (Voorwaardelijke) gewichtige redenen. Ontslag op staande voet (werkweigering). Ziekte (second opinion). Passende arbeid.

Een vleesbewerker, ruim drie maanden in dienst, salaris NLG 2.586,-- bruto per vier weken, wordt ziek. Na anderhalve maand acht de Arbo-arts de werknemer geschikt voor aangepast werk. De werkgever draagt de werknemer lichte schoonmaakwerkzaamheden op die ook door de Arbo-arts passend worden geacht en wijst de werknemer op de mogelijkheid van een second opinion. Als de werknemer de werkzaamheden weigert, wordt hij op staande voet ontslagen. De werknemer verzoekt de uitvoeringsinstelling om een second opinion, doch ook de verzekeringsarts acht de werknemer geschikt voor passende werkzaamheden. De werkgever verzoekt vervolgens voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is met de werkgever van oordeel dat de schoonmaakwerkzaamheden als passend moeten worden aangenomen. De vraag is echter of weigering dit passende werk te blijven verrichten een dringende reden oplevert, die ontbinding rechtvaardigt. De kantonrechter is van oordeel dat blijkens art. 7:629 lid 1 BW de werknemer aanspraak kan blijven maken op loondoorbetaling ingeval hij wegens ziekte ongeschikt is voor zijn eigen werk. Op grond van art. 7:629 lid 3 BW vervalt deze aanspraak ingeval de werknemer ander passend werk weigert. De sanctie op het niet verrichten van andere passende werkzaamheden is het verval van loonaanspraak en niet ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden. Dit blijkt ook uit de wetsgeschiedenis. Niet aanvaard kan worden dat het risico van een verkeerde inschatting met als sanctie ontslag op staande voet bij de werknemer wordt gelegd, temeer nu de werknemer arbeidsongeschikt is gebleven voor zijn eigen werk. Het verdraagt zich ook niet met het systeem van de wet (die de werknemer een zekere bescherming beoogt te bieden) dat de subjectieve kijk van de werknemer op zijn klachten beslissend is. Dat de werknemer nadien arbeidsgeschikt wordt geacht voor passende werkzaamheden, doet hier niet aan af. Temeer nu de mogelijkheid tot werkhervatting zich niet meer voordeed na het ontslag op staande voet. Met betrekking tot de veranderde omstandigheden overweegt de kantonrechter dat de werkgever, gezien de eerdere waarschuwing, reden had tot kritiek op de werkhouding van de werknemer. De gestelde vertrouwensbreuk is echter gebaseerd op het weigeren van passende werkzaamheden, waarvan de werknemer in redelijkheid kon menen dat hij niet in staat was deze te verrichten. Niet kan worden aangenomen dat de arbeidsverhouding definitief verstoord is geraakt door de verkeerde inschatting van de werknemer met betrekking tot het passende werk op therapeutische basis zonder loonwaarde. De kantonrechter wijst het verzoek af.

Terug naar overzicht