Kantonrechter Utrecht 02-07-2004 (Pieters), JAR 2004, 201


Ontbinding gewichtige redenen. Anciënniteitsbeginsel. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 201.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werkneemster, 47 jaar oud, sinds bijna vijf jaar in dienst als secretariaatsmedewerkster. Daartoe voert de werkgever aan dat hij als gevolg van het verlies van twee zetels in het Europees Parlement het personeelsbestand moet inkrimpen. De werkgever is daartoe een sociaal plan overeengekomen met ABVAKABO FNV. Dit plan voorziet in een plaatsingsprocedure voor de zeven resterende functies. De werkneemster heeft met vier andere collega's gesolliciteerd naar de functie van persoonlijk medewerker, een functie die haar oude functie omvat plus enkele daaraan toegevoegde taken. De keuze is echter niet op haar gevallen, maar op een korter in dienst zijnde medewerker omdat deze volgens de werkgever beter geschikt zou zijn voor de functie. De werkneemster acht dit in strijd met het anciënniteitsbeginsel. De kantonrechter overweegt dat, daargelaten of de werkgever de criteria van art. 4:2 Ontslagbesluit had moeten naleven, hij jegens de werkneemster de eisen van het goed werkgeverschap in acht had moeten nemen. In concreto had hij daarom met de nodige zorgvuldigheid jegens de eigen werknemers invulling moeten geven aan het criterium van voldoende geschiktheid voor de functie. In dit verband hecht de kantonrechter belang aan het feit dat de functie van persoonlijk medewerker mogelijk enigszins verzwaard is ten opzichte van de oude secretariaatsfunctie, maar niet zodanig dat van een wezenlijk nieuwe functie kan worden gesproken waarvoor de werkneemster niet of onvoldoende geschikt zou zijn. De werkgever had de werkneemster daarom, gelet op haar anciënniteit en ook op haar leeftijd en positie op de arbeidsmarkt, het voordeel van de twijfel moeten geven door haar de gelegenheid te bieden zichzelf te bewijzen in de nieuwe functie. Voorzover de werkgever heeft betoogd dat het de werkneemster niet vrijstaat om zich tegen de gevraagde ontbinding te verzetten omdat zij niet de in het sociaal plan gevolgde bezwaarprocedure heeft gevolgd, oordeelt de kantonrechter dat de werkneemster hiervoor te weinig tijd heeft gekregen. De werkneemster heeft op vrijdag 25 juni 2004, de dag dat zij terug kwam van vakantie, om 18.00 uur een gesprek gehad met de plaatsingscommissie, de uitslag is haar diezelfde dag meegedeeld en daarbij is haar gezegd dat zij uiterlijk de volgende dag vóór 12.00 uur bezwaar kon maken bij de begeleidingscommissie. Deze tijd is dusdanig kort dat het de werkneemster niet valt te verwijten dat zij zich niet tot deze commissie heeft gewend. Het ontbindingsverzoek is, gezien voorgaande, niet toewijsbaar.

Terug naar overzicht