Kantonrechter Utrecht 02-07-2004 (Van Lieshout), JAR 2004, 200


Ontbinding gewichtige redenen. CAO. Anciënniteitsbeginsel.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 200.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer, 39 jaar oud, in dienst sinds 1 juli 1998 als cateringmedewerker B voor 40 uur per week tegen een salaris van € 1.565,52 bruto per maand. Primair verzoekt de werkgever ontbinding voor tien uur per week en subsidiair algehele ontbinding onder de gelijktijdige toezegging van een arbeidsovereenkomst voor 30 uur per week. De werkgever voert daartoe aan dat het project waarop de werknemer werkzaam was, is overgenomen door Sodexho Catering, dat de werknemer het aanbod van Sodexho voor een contract van 30 uur per week niet heeft aanvaard omdat hij 40 uur per week wil werken en dat de werknemer ook het aanbod van de werkgever voor vervangend werk elders voor 30 uur per week heeft afgewezen. De kantonrechter stelt vast dat zowel het primaire als het subsidiaire verzoek resulteren in een gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk verzoek kan niet worden gehonoreerd, omdat het resultaat ervan een wijziging van de arbeidsovereenkomst zou zijn, waarvoor art. 7:685 BW niet is bedoeld. Reeds om die reden moeten de verzoeken worden afgewezen. Meer inhoudelijk overweegt de kantonrechter dat op grond van art. 11 lid 4 CAO Contract-cateringbranche het bedrijf dat een cateringcontract verliest en dat werknemers binnen zijn organisatie kan herplaatsen, bij het aanbieden van vervangende arbeidsplaatsen rekening moet houden met het anciënniteitsbeginsel. Aan dit artikel wordt op grond van het bepaalde in art. 11 lid 1 CAO echter pas toegekomen als is komen vast te staan dat er bij de onderneming, binnen een straal van 30 kilometer van de oude werkplek, vervangende arbeidsplaatsen aanwezig zijn. In onderhavig geval heeft de werkgever niet aannemelijk gemaakt dat hij geen arbeidsplaatsen met een arbeidsduur van 40 uur per week meer beschikbaar had. Hij heeft de mogelijkheden voor herplaatsing onvoldoende onderzocht. Met betrekking tot art. 10 CAO overweegt de kantonrechter dat dit artikel afwijkt van het bepaalde in art. 4:2 Ontslagbesluit, welk artikel de CWI verplicht tot toepassing van het anciënniteitsprincipe per bedrijfsvestiging. Uit art. 10 CAO volgt namelijk dat een werkgever niet gehouden is om werknemers van een project af te halen teneinde daar een andere, langer in dienst zijnde werknemer te plaatsen die eerder op een project werkte dat aan een andere cateraar is gegund. De kantonrechter is van mening dat de CAO-bepaling in een geval als het onderhavige prevaleert boven de bepalingen van het Ontslagbesluit.

Terug naar overzicht