Kantonrechter Utrecht 03-05-2000 (De Laat), JAR 2000, 131


CAO (nawerking). Wijziging arbeidsvoorwaarden (arbeidsduurvermindering).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 131.

In de nieuwe CAO voor het schoonmaakbedrijf, die geldt van 1 maart 1999 tot en met 31 december 2000 is bepaald dat de oude CAO, die gold van 1 februari 1997 tot en met 31 december 1998 met twee maanden verlengd wordt tot 1 maart 1999. Op grond van de oude CAO is urenvermindering toegestaan. In december 1998 kondigt een schoonmaakbedrijf aan per 1 januari 1999 urenvermindering te zullen doorvoeren. De vakvereniging stelt dat de urenvermindering is ingegaan op een tijdstip waarop geen CAO van toepassing was en dus in strijd is met art. 6 jo 8 BBA. De vakvereniging vordert een verklaring voor recht dat de urenvermindering nietig is. De kantonrechter is van oordeel dat het partijen bij een CAO vrij staat de oude en de nieuwe CAO naadloos op elkaar te laten aansluiten, om aldus een CAO-loos tijdperk de voorkomen. De werkgever heeft niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid gehandeld door een beroep te doen op de verlengingsbepaling in de nieuwe CAO. De urenvermindering staat immers al vele jaren in de CAO, waarbij ook de vakvereniging contractspartij is geweest. Of de urenvermindering is ingegaan per 1 januari of 15 maart maakt niet uit. De kantonrechter is het niet eens met de stelling van de vakvereniging dat de ingevoerde urenvermindering in strijd is met art. 6 BBA en dus nietig op grond van art. 9 BBA. Urenvermindering is geen gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar een arbeidsvoorwaarde als bedoeld in art. 1 Wet CAO. Bovendien is niet voor elk ontslag toestemming van de RDA nodig, bijvoorbeeld in geval van beëindiging met wederzijds goedvinden. Aangezien de vakvereniging jarenlang akkoord is gegaan met opname van urenvermindering in de CAO kan er in dit geval van worden uitgegaan dat er sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden, waarvoor geen ontslagvergunning vereist is. De kantonrechter wijst de vordering af en verklaart de vakvereniging niet-ontvankelijk in de vordering voor zover die namens de niet-leden is ingesteld, op grond van het feit dat de vakvereniging CAO-partij is.

Terug naar overzicht