Kantonrechter Utrecht 06-02-2003 (Breedveld), JAR 2003, 62


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Rekest civiel. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 62.

De werknemer heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden onder toekenning aan hem van een vergoeding gebaseerd op factor C=2. De kantonrechter heeft aangegeven in beginsel uit te zullen gaan van een factor C=1 en nog te zullen nagaan in hoeverre partijen van de ontbinding een verwijt te maken valt. Vervolgens hebben partijen nader met elkaar gesproken en zijn zij overeengekomen dat aan de werknemer een vergoeding gelijk aan C=1 zal worden uitbetaald (€ 234.000,--). De werkgever stelt dat na de ontbinding is gebleken dat de werknemer ten tijde van de mondelinge behandeling reeds werkzaamheden elders verrichtte en verzekerd was van een baan aldaar. Hij zou zich daarom schuldig hebben gemaakt aan bedrog. De werknemer betwist dat hij al een andere baan had ten tijde van de ontbinding. Ook betwist hij dat hij een spreekplicht zou hebben. De werkgever verzoekt herroeping van de beschikking. De kantonrechter stelt vast dat bedrog als bedoeld in art. 382 e.v. Rv ook gepleegd kan worden in correspondentie of onderhandelingen tussen partijen. Verder stelt de kantonrechter vast dat tijdens de ontbinding niet is gevraagd naar de perspectieven van de werknemer op ander werk. Het is overigens de vraag of deze perspectieven, gelet op de ontbindingsgrond (reorganisatie), van invloed hadden kunnen zijn of behoren te zijn op de hoogte van de vergoeding. In elk geval is het onjuist dat, als de werknemer concreet uitzicht zou hebben gehad op een baan, er zonder meer geen plaats zou zijn geweest voor een vergoeding. Partijen zijn naar het oordeel van de kantonrechter allereerst zelf verantwoordelijk voor de informatie die zij onder de aandacht van de kantonrechter willen brengen, ook indien deze daar zelf niet naar vraagt. Indien dat door een oneerlijke proceshouding van de wederpartij wordt belet, kan er sprake zijn van bedrog. In onderhavig geval heeft de werknemer de werkgever niet belet om te informeren naar zijn vooruitzichten op ander werk. De werkgever had hier door middel van een simpele vraag naar kunnen informeren. Nu de werkgever dat niet heeft gedaan, had de werknemer geen spreekplicht. Daarom is geen sprake van bedrog als bedoeld in art. 382 e.v. Rv.

Terug naar overzicht