Kantonrechter Utrecht 06-02-2004 (Van Rijkom), JAR 2004, 40


Ontbinding gewichtige redenen. Anciënniteitsbeginsel.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 40.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer – geboren op 9 december 1961, in dienst sinds 3 september 2001, tegen een salaris van € 2.234,– bruto per maand exclusief vakantietoeslag – op de grond dat de afdeling waarop de werknemer werkte is opgeheven wegens teruglopende financiële resultaten. De werkgever biedt een vergoeding aan gebaseerd op correctiefactor 1. Ook van de andere werknemers op de afdeling is de arbeidsplaats komen te vervallen. Met betrekking tot drie andere werknemers zijn eveneens ontbindingsverzoeken ingediend. Deze zijn gelijktijdig behandeld met die van de werknemer in deze zaak. De vier werknemers stellen dat de werkgever de noodzaak tot reorganisatie onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, waardoor toetsing hiervan onmogelijk is. Verder zijn de werknemers van mening dat er nog werk genoeg is, dat het anciënniteitsbeginsel niet goed is toegepast en/of dat hen ten onrechte geen functie elders is aangeboden. De kantonrechter stelt vast dat de werkgever om hem moverende redenen ervoor heeft gekozen om zijn verzoekschriften niet met voor de inhoudelijke beoordeling benodigde stukken te onderbouwen. De werkgever heeft in dit opzicht verwezen naar zijn website waarop een veelheid aan financiële stukken te vinden zou zijn. De kantonrechter acht deze verwijzing echter onvoldoende, nu de website geen deel uitmaakt van de processtukken en gericht doorvragen zonder onderliggende stukken niet mogelijk is. Wanneer de verzoeken van de werkgever beoordeeld zouden worden aan de hand van de "Checklist bedrijfseconomische noodzaak" van de CWI, moet geconcludeerd worden dat de werkgever zelfs nog niet is begonnen met de onderbouwing van zijn ontslagverzoeken. De vraag is bovendien waarom de werkgever zich tot de kantonrechter heeft gewend in plaats van tot de CWI. Ook is onduidelijk of er geen melding collectief ontslag gedaan had moeten worden. De werkgever heeft verder niets gemeld over overleg met de vakbonden en heeft ten aanzien van de OR alleen mondeling gesteld dat deze achter de plannen staat. Een en ander brengt de kantonrechter ertoe de zaken van de vier werknemers aan te houden teneinde een deskundigenbericht te vragen aan de CWI. Deze zal gevraagd worden wat haar oordeel zou zijn geweest wanneer onderhavige zaken bij wege van een aanvraag ontslagvergunning bij de CWI ingediend zouden zijn.

Terug naar overzicht