Kantonrechter Utrecht 07-03-2001 (Bloem), JAR 2001, 91


Afroepovereenkomst (voorovereenkomst). CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 91.

De werknemer is op 1 oktober 1999 bij de werkgever in dienst getreden als beveiligingsbeambte op basis van een afroepcontract. Gedurende vier loonperioden heeft hij vrijwel voltijd voor de werkgever gewerkt. Daarna heeft de werknemer de werkgever telefonisch laten weten een dag om privé redenen niet te kunnen komen werken en heeft hij aansluitend per sms aangegeven de voor de rest van de week overeengekomen diensten niet te zullen vervullen. De werkgever heeft daarop laten weten hem niet meer te zullen inroosteren. De werknemer stelt thans dat er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst welke ten onrechte is opgezegd zonder toestemming van RDA of kantonrechter. De werkgever stelt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een voorovereenkomst is en geen arbeidsovereenkomst en dat hij niet verplicht is de werknemer op te roepen. De kantonrechter volgt het standpunt van de werkgever. Naar het oordeel van de rechter is er sprake van een voorovereenkomst en niet van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht, aangezien de werknemer niet verplicht was om gehoor te geven aan een oproep tot het verrichten van werkzaamheden. Het feit dat de werknemer gedurende vier perioden vrijwel volledig voor de werkgever heeft gewerkt, brengt niet mee dat er toch sprake is van een arbeidsovereenkomst, gelet op de relatief korte duur van deze periode. Bovendien bepaalt de CAO dat, indien een werknemer gedurende vier loonperioden een gemiddelde arbeidstijd heeft gekend van minimaal vijf uur per week, het afroepcontract op schriftelijk verzoek van de werknemer zal worden omgezet in een parttime contract. De CAO beoogt aldus specifiek een oproepcontract niet te lang te laten voortduren. De werknemer heeft evenwel geen beroep gedaan op deze bepaling. Eén en ander brengt mee dat de werkgever niet verplicht is de werknemer voor werk op te roepen

Terug naar overzicht