Kantonrechter Utrecht 08-06-2001, 03-07-2001 (Pinckaers), JAR 2001, 194


Gelijke behandeling. Deeltijdarbeid. Auto.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 194.

De werkgever heeft de werkneemster met ingang van 1 januari 2000 een lease-auto ter beschikking gesteld. Vanaf februari 2001 heeft de werkgever een bedrag ingehouden op het salaris van de werkneemster omdat zij dit verschuldigd zou zijn voor het gebruik van de lease-auto nu zij parttime werkt. De werkneemster vordert ongedaanmaking van de intrekking. De kantonrechter verwerpt de stelling van de werkneemster dat geen eigen bijdrage overeengekomen zou zijn. Dit is volgens de kantonrechter wel het geval. De werkneemster heeft bovendien de auto in gebruik genomen en kan daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onder het betalen van de bijdrage uitkomen. Wel is het de vraag, aldus de kantonrechter, of met de regeling ten onrechte onderscheid naar arbeidsduur wordt gemaakt nu alleen parttimers bij de werkgever een eigen bijdrage dienen te betalen. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat dit niet het geval is, nu de werkneemster niet verplicht was in een lease-auto te rijden en zij ook had kunnen kiezen voor een kilometervergoeding. De verstrekking van de auto heeft daarom niet zozeer het karakter van een vergoeding van werkelijk gemaakte kosten, maar moet veeleer worden aangemerkt als een vorm van (verkapte) beloning. Dit klemt temeer nu de werkneemster de auto onbeperkt voor privé doeleinden mag gebruiken en in Nederland ook voor privé doeleinden onbeperkt mag tanken voor rekening van gedaagde. Van benadeling is in het algemeen geen sprake indien een arbeidsvoorwaarde evenredig is aan de omvang van de arbeidsduur. Dit lijkt in casu voorshands het geval te zijn. Derhalve is er geen sprake van een ongeoorloofd onderscheid naar arbeidsduur

Terug naar overzicht