Kantonrechter Utrecht 12-09-2000 (De Laat), JAR 2000, 218


Concurrentiebeding. Faillissement.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 218.

Een werkgever en twee van zijn dochterondernemingen gaan failliet. Alle werknemers worden ontslagen nadat met een andere dochteronderneming de onderhandelingen over een doorstart zijn mislukt. Dertien werknemers van de failliete werkgever treden vervolgens in dienst bij deze dochteronderneming en vorderen bij voorlopige voorziening ontheffing uit respectievelijk schorsing van hun concurrentiebedingen respectievelijk klantenbedingen. Zij stellen niet meer gebonden te zijn aan de bedingen omdat het concurrentieverbod is vervallen als gevolg van ontslag buiten hun schuld. Volgens de curator geldt dit niet voor het klantenbeding. De kantonrechter is van oordeel dat sommige van de werknemers onder het klantenbeding vallen. Niet valt in te zien waarom de nieuwe werkgever geen klant van de gefailleerde onderneming zou kunnen zijn. Deze deed niet alleen de administratie maar voerde ook projecten uit in opdracht van de nieuwe werkgever. De vraag is of de werknemers aan dit beding gebonden zijn. Volgens de kantonrechter is de ratio van een concurrentiebeding te voorkomen dat de werknemer respectievelijk de nieuwe werkgever de oude werkgever concurrentie zal aandoen in diens bedrijfsdebiet met de kennis en relaties die de werknemer heeft opgedaan in het bedrijf van zijn oude werkgever. Voldoende is komen vast te staan dat de curator geen bedrijfsdebiet beheert en dat doorstart niet meer tot de mogelijkheden behoort. De arbeidsovereenkomsten zijn inmiddels opgezegd en de enkele omstandigheid dat de curator van de nieuwe werkgever een financiële tegemoetkoming wenst te ontvangen ter afkoop van het concurrentiebeding is onvoldoende reden de werknemers aan hun concurrentiebeding te houden. De financiële waarde van het concurrentiebeding rechtvaardigt onvoldoende het belemmeren van werknemers om weer aan het werk te gaan. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.

Terug naar overzicht