Kantonrechter Utrecht 15-03-2004 (Van Oostrom), JAR 2004, 92


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling. Anciënniteitsbeginsel. Goed werkgeverschap. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 92.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer, 35 jaar oud, drie jaar in dienst, tegen een salaris van laatstelijk € 3.045,68 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. De werknemer wilde aanvankelijk ontslag nemen per 1 april 2003, maar partijen zijn toen overeengekomen dat de werknemer werkzaamheden zou gaan verrichten in de vestiging van de werkgever in Frankrijk. Op 21 november 2003 heeft de leidinggevende van het filiaal in Frankrijk echter te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst van de werknemer per 1 januari 2004 te willen beëindigen vanwege disfunctioneren van de werknemer. De werkgever heeft daarop ontbinding gevraagd op de grond dat de plaatsing in Frankrijk geen succes is gebleken en hij daarom geen vertrouwen meer in de werknemer heeft. De kantonrechter laat de vraag of mogelijk Frans recht van toepassing was op de arbeidsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst naar dit recht is geëindigd buiten beschouwing. Partijen kunnen die vraag voorleggen aan de kantonrechter in een bodemprocedure. Het ontbindingsverzoek wijst de kantonrechter toe, nu de werkgever stelt geen vertrouwen meer in de werknemer te hebben en zijn functie in Nederland bovendien sinds bijna een jaar door iemand anders wordt vervuld. Bij de ontbinding komt aan de werknemer een vergoeding toe, aangezien het voor rekening van de werkgever komt dat niet duidelijk is vastgesteld onder welke voorwaarden de werknemer in Frankrijk werkzaam zou zijn, de werknemer op verzoek van de werkgever in Frankrijk is gaan werken, de werknemer gedurende zijn werkzaamheden in Frankrijk nimmer feedback heeft gekregen op zijn functioneren tot aan de ontslagaankondiging in november, en hij op basis van het anciënniteitsbeginsel formeel gesproken recht zou hebben op zijn oude functie. Bij het vaststellen van de vergoeding houdt de kantonrechter geen rekening met het feit dat de werknemer al sinds 21 november 2003 is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, nu hij zich steeds bereid heeft verklaard werkzaamheden voor de werkgever te verrichten en de werkgever hier desondanks geen gebruik van heeft gemaakt. Gezien alle omstandigheden moet de factor C worden vastgesteld op 3, zodat de vergoeding € 29.604,– bruto bedraagt.

Terug naar overzicht