Kantonrechter Utrecht 15-09-2003 (Verscheure), JAR 2003, 256


CAO. Ontbindende voorwaarde. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 256.

De werknemer is op 1 juli 1999 voor onbepaalde tijd bij de werkgever (de KNVB) in dienst getreden als assistent-scheidsrechter. In de CAO (assistent-)scheidsrechters betaald voetbal is bepaald dat de arbeidsovereenkomst zal zijn ontbonden als de werknemer degradeert van de lijst van assistent-scheidsrechters overeenkomstig bijlage IV van de CAO (assistent-)scheidsrechters betaald voetbal. In deze bijlage is bepaald dat jaarlijks de drie laagst geplaatste assistent-scheidsrechters degraderen van de ranglijst. De arbeidsovereenkomst van deze scheidsrechters is alsdan ontbonden. De werknemer is na afloop van het seizoen 2002-2003 op de voorlaatste plaats van de ranglijst geëindigd. De werkgever heeft hem daarom laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst per 30 juni 2003 is geëindigd. De werknemer heeft de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen. Hij stelt dat de ontbindende voorwaarde niet rechtsgeldig is omdat de werkgever aanzienlijke invloed heeft op het intreden ervan. Hij vordert in kort geding plaatsing op de lijst van assistent-scheidsrechters voor het seizoen 2003-2004 en toewijzing van een wedstrijd in september 2004. De werkgever vraagt voorwaardelijk ontbinding voor het geval de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door inwerkingtreding van de ontbindende voorwaarde. De kantonrechter overweegt in het kort geding het niet aannemelijk te achten dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de ontbindende voorwaarde niet rechtsgeldig is. De kantonrechter acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om te concluderen dat de degradatie niet op objectieve wijze tot stand is gekomen. In het seizoen 2002-2003 hebben negen verschillende waarnemers het functioneren van de werknemer beoordeeld aan de hand van een door externe consultants opgesteld beoordelingsysteem, welk systeem voor de beoordeling van alle assistent-scheidsrechters geldt en tot stand is gekomen in samenwerking met de KNVB, FNV Sport en BSBV. Tegen deze beoordelingen heeft de werknemer slechts eenmaal beroep ingesteld, welk beroep door een onafhankelijk beroepscollege is afgewezen. De gevorderde voorlopige voorziening is daarom niet toewijsbaar. In de ontbindingsprocedure ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorzover deze nog niet is geëindigd. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er vanwege de degradatie van de werknemer geen passende werkzaamheden meer voor hem voorhanden. De kantonrechter acht de op grond van de CAO verschuldigde beëindigingvergoeding van € 3.608,17 bruto billijk.

Verder lezen
Terug naar overzicht