Kantonrechter Utrecht 17-05-2000 (Staal), JAR 2000, 187


Kennelijk onredelijk ontslag. Gezagsverhouding (predikant). Competentie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 187.

(Zie voorgeschiedenis Rechtbank Utrecht 15-12-1999, NJ 2000, 494). Een predikant raakt in conflict met de kerk over zijn verhuisplicht. Nadat eerst in rechte is vastgesteld dat de arbeidsrelatie een arbeidsovereenkomst was, die na tweeëneenhalf jaar is geëindigd, oordeelt de kantonrechter het ontslag kennelijk onredelijk. Voor het kunnen functioneren als predikant is in ieder geval een vertrouwensrelatie noodzakelijk, zodat bij het ontbreken daarvan ontslag kan plaatsvinden. De oorzaak van een vertrouwensbreuk is echter wel medebepalend voor de vraag welke schadeloosstelling op zijn plaats is. De interne rechtsgang is onzorgvuldig geweest: de werknemer mocht zich niet laten bijstaan; hoor- en wederhoor waren gebrekkig georganiseerd en onduidelijk is op basis van welke stukken de synodale beroepscommissie tot haar oordeel, dat niet met de werknemer zou zijn samen te werken, is gekomen. De opzegging wordt kennelijk onredelijk geacht omdat de kerk niet het uiterste heeft ondernomen om escalatie van het conflict te voorkomen en met de werknemer en anderen tot aanvaardbare samenwerkingsafspraken te komen, zodat de opzegging prematuur was. Ook de gevolgen zijn ernstig voor de werknemer, nu hij slechts kan hopen op werk buiten deze kerk en anders dan als predikant. De bijzondere verhouding tussen kerk en predikant verzet zich tegen het opleggen van herstel van de arbeidsovereenkomst. Met betrekking tot de schadevergoeding haakt de kantonrechter aan bij de kantonrechtersformule en wijst toe NLG 60.000,-- bruto (uitgaande van een leeftijd van 53 jaar, twee jaar dienstverband, salaris NLG 6.981,50 met correctiefactor C=2).

Terug naar overzicht