Kantonrechter Utrecht 21-05-2003 (Van Lieshout), JAR 2003, 177


Bepaalde tijd. Ontbinding gewichtige redenen. Passende arbeid. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 177.

De werknemer is op 19 juni 2000 bij de werkgever in dienst getreden als assistent medewerker servicelijn. Op 27 januari 2001 is de werknemer getroffen door een hartinfarct. Per 27 januari 2002 is aan hem een WAO-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Tot en met 14 augustus 2002 heeft de werknemer ondersteunende administratieve werkzaamheden verricht op zijn eigen afdeling. De werkgever heeft hem in die periode bericht dat hij hem geen passende functie kon aanbieden, maar slechts projectmatige administratieve werkzaamheden in een deeltijdbaan (50%) voor een periode van drie jaar. De werknemer heeft aangegeven bereid te zijn de werkzaamheden te verrichten, maar heeft bezwaar gemaakt tegen het tijdelijke karakter ervan. Vanaf augustus 2002 is de werknemer enige tijd volledig arbeidsongeschikt geweest na een ondergegane hartoperatie. In september 2002 heeft de gemachtigde van de werknemer aangegeven dat de werknemer naar verwachting na verloop van zes maanden zijn eigen werkzaamheden zou kunnen hervatten. De werkgever heeft daarop laten weten de functie niet zo lang open te kunnen houden. Met ingang van maart 2003 is de werknemer hersteld verklaard voor zijn eigen werk. Bij brief van 20 maart 2003 heeft de werkgever hem meegedeeld dat zijn eigen functie niet meer beschikbaar is en dat hij genoodzaakt is om ontbinding te verzoeken vanwege de weigering van de werknemer om de eerder aangeboden projectmatige administratieve werkzaamheden te verrichten. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht de werkgever in redelijkheid niet van de werknemer verlangen dat deze na zijn ziekteperiode genoegen zou nemen met werkzaamheden die een tijdelijk karakter droegen. De werkgever benadrukt immers zelf dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het verschiet zou liggen indien er in de drie jaar van de tijdelijke overeenkomst geen passend vast werk beschikbaar zou komen. Aan dit oordeel doet niet af, aldus de kantonrechter, dat de werkgever inmiddels een andere medewerker heeft aangetrokken voor de functie van de werknemer noch dat de werknemer de gelegenheid is geboden om vóór oktober 2002 te laten weten of hij meende te zijner tijd in staat te zijn die werkzaamheden weer te kunnen uitoefenen. Ook de lange duur van de afwezigheid van de werknemers speelt geen doorslaggevende rol. De werknemer hoeft eenvoudigweg niet in te stemmen met een verslechtering van zijn positie in die zin dat hij na terugkeer van zijn arbeidsongeschiktheid wordt geplaatst in een tijdelijke functie. Het ontbindingsverzoek is daarom niet toewijsbaar.

Verder lezen
Terug naar overzicht