Kantonrechter Utrecht 21-09-2001 (De Jonge), 12-02-2002 (Schokkenbroek), JAR 2002, 70


CAO (verlenging dienstverband met één jaar mogelijk; tegengestelde uitspraken kantonrechters). Ontbinding gewichtige redenen (wegens bereiken 65-jarige leeftijd).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 70.

De werknemer, 65 jaar geworden op 30 januari 2002, is bij beslissing van de werkgever van 6 maart 1997 overcompleet verklaard. Na bezwaar van de werknemer is deze beslissing ongedaan gemaakt. Aansluitend overleg tussen partijen heeft niet tot herplaatsing van de werknemer geleid. Als gevolg hiervan heeft de werknemer sinds maart 1997 niet meer gewerkt. De werkgever stelt dat hij bij vergissing het salaris is blijven doorbetalen. Hij dacht dat de werknemer met pensioen was gegaan. De CAO kent namelijk een regeling inhoudende dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt bij het bereiken van de 62-jarige leeftijd, tenzij een werknemer drie maanden vóór dat moment om verlenging van zijn arbeidsovereenkomst verzoekt. Deze verlenging loopt uiterlijk tot de eerste maand waarin de werknemer 66 jaar wordt. De werknemer heeft niet om verlenging gevraagd voor zijn 62e. Hij stelt dat hij de CAO-regeling niet kende. Als hij hem wel gekend had, zou hij verlenging gevraagd hebben. Verder betwist hij dat de werkgever zijn werkgever is. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst uiterlijk met ingang van 1 januari 2002. De kantonrechter oordeelt dat duidelijk is dat de werknemer bij de werkgever in dienst is. Het ontbindingsverzoek is naar het oordeel van de rechter toewijsbaar. De werknemer heeft al geruime tijd geen zinvolle en passende werkzaamheden meer verricht en niet aannemelijk is dat deze nog gevonden kunnen worden. Dat de werkgever zich mogelijk niet of onvoldoende heeft gerealiseerd dat de werknemer nog in dienst was zonder te werken, levert geen grond op voor een vergoeding. Hiervoor is ook geen andere grond, gelet ook op het feit dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van de maand waarin de werknemer 65 jaar wordt. De werknemer gaat vervolgens in hoger beroep omdat een niet bestaande arbeidsovereenkomst zou zijn ontbonden. De appèlrechter stelt hem in het gelijk. Daarop vraagt de werkgever die de werknemer als zijn werkgever aanmerkt, voorwaardelijk ontbinding voor het geval de arbeidsovereenkomst nog bestaat en voor het geval in rechte geoordeeld wordt dat hij de werkgever is. De kantonrechter te Utrecht - een andere rechter dan de hierboven genoemde - wijst het ontbindingsverzoek af. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer niet te kennen heeft kunnen geven niet met zijn 62e jaar met pensioen te willen omdat in de maand dat hij 62 werd de CAO waarin deze regeling stond van toepassing werd. De kantonrechter is van mening dat daarom, gelet ook op het feit dat de werknemer in het verleden heeft gezegd niet met de VUT te willen, aangenomen moet worden dat, als hij de CAO…

Verder lezen
Terug naar overzicht