Kantonrechter Utrecht 22-05-2000 (De Laat), JAR 2001, 45


Bepaalde tijd. Opzegging. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 45.

Het gaat hier om de uitleg van een CAO, in het licht van art. 7:668a BW (arbeids- overeenkomsten voor bepaalde tijd). Deze CAO-bepaling stelt dat het dienstverband een einde neemt door het verstrijken van de tijd waarvoor het dienstverband is aangegaan, zonder voorafgaande opzegging. Indien een dienstverband is voortgezet en de dienstverbanden tezamen niet langer dan 48 maanden duren, eindigt het eveneens van rechtswege, zonder voorafgaande opzegging. De werkgever stelt - in tegenstelling tot de werknemer - dat er geen beperking is gesteld aan het aantal tijdelijke contracten dat in de periode van 48 maanden afgesloten kan worden zonder dat voor de beëindiging opzegging vereist is. De kantonrechter sluit zich aan bij de stelling van de werkgever en overweegt dat het strikt genomen niet nodig is dat de CAO een bepaling kent met betrekking tot het aantal maanden (in casu 48) als deze ook nog eens regelt dat het aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een beperkt aantal malen mag worden verlengd voordat de laatste overeenkomst geacht wordt te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Art. 7:668a BW kent immers zowel de mogelijkheid dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden opvolgen en een periode van 36 maanden overschrijden als ook, daarnaast, de mogelijkheid dat meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereen- komsten elkaar hebben opgevolgd

Verder lezen
Terug naar overzicht