Kantonrechter Utrecht 24-11-1999 (Staal), Prg. 2000, 5476


Afroepovereenkomst. Wederzijds goedvinden. Loon. Wettelijke verhoging. Ziekte. Voorwaardelijke ontbinding gewichtige redenen. Competentie.

Een verkoopster in een kledingzaak werkt gedurende twee maanden op drie dagen per week tegen NLG 300,-- netto per week. Daarna wordt zij ziek. De werkneemster stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en vordert doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en tewerkstelling na hersteld te zijn. Volgens de werkgever is de werkneemster een oproepkracht en is een arbeidsovereenkomst voor vijf maanden overeengekomen. Bovendien zou de werkneemster zelf ontslag hebben genomen. De werkgever "vordert" in reconventie voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde verhouding. De kantonrechter stelt vast dat er gezien alle omstandigheden sprake is van een arbeidsovereenkomst. Omdat de werkgever geen loonopgaven heeft verstrekt, dient hij het bewijsrisico te dragen en zal de kantonrechter op voorhand uitgaan van het door de werkneemster gestelde loon van NLG 300,-- netto per week. Aangezien de werkneemster door ziekte verhinderd was haar werk te verrichten, heeft zij op grond van art. 7:629 BW recht op doorbetaling van loon. De kantonrechter acht het volstrekt ongeloofwaardig dat de werkneemster zelf ontslag heeft genomen. De handtekening voor akkoord op de door de werkgever overgelegde "krabbel" wordt door de werkneemster betwist. Ook mag een werkgever naar aanleiding van een mededeling van een werknemer niet te snel concluderen dat de werknemer ontslag neemt en zeker niet wanneer de werknemer ziek is. De kantonrechter is van oordeel dat de werkneemster recht heeft op doorbetaling van loon en wel voor onbepaalde tijd. Aangezien er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is, rust ook in dit geval een zware bewijslast op de werkgever. Deze toont echter op geen enkele wijze aan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De loonvordering moet worden toegewezen vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging omdat niet op matiging is aangedrongen. De vordering tot tewerkstelling wordt afgewezen aangezien er geen reële kans is op werkhervatting op korte termijn. Met betrekking tot de reconventie verklaart de kantonrechter de werkgever niet-ontvankelijk, omdat de werkgever hiertoe een afzonderlijk verzoekschrift had moeten indienen.

Terug naar overzicht