Kantonrechter Utrecht 28-04-1999, JAR 1999, 121 (Zeijlstra)


Ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling. Competentie. Kennelijk onredelijk ontslag. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 121.

Een werknemer en zijn werkgever verzoeken ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 15 april 1998. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 550.000,-- bruto, overwegende dat deze moet worden vastgesteld op grond van hetgeen is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst en niet op basis van de kantonrechtersformule. De kantonrechter houdt de waarde van de opties buiten de vergoeding omdat de moeder de aandelenoptieregeling had getroffen en niet de dochteronderneming. Omdat de moedermaatschappij geen partij was in de ontbindingsprocedure kon de kantonrechter destijds geen uitspraak doen over de aandelenoptieregeling. De werknemer stelt thans dat er sprake is van een kennelijk onredelijke beëindiging en dat de werkgever gehandeld heeft in strijd met het goed werkgeverschap. De werknemer vordert een schadevergoeding van zowel zijn werkgever als de Amerikaanse moeder wegens het niet meer kunnen uitoefenen van de opties als gevolg van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De moedermaatschappij stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is omdat de opties betrekking hebben op aandelen en er geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan tussen de moedervennootschap en de werknemer. De kantonrechter overweegt dat volgens de stock options agreement de werknemer die de aandelenopties verkrijgt, beschouwd wordt in dienst te zijn bij de moeder zolang een arbeidsovereenkomst bestaat met de moeder respectievelijk één van de dochters. Op grond hiervan wordt vastgesteld dat de optieregeling geacht wordt betrekking te hebben op de arbeidsovereenkomst en dus is de absolute competentie van de kantonrechter gegeven. De vordering van de werknemer kan echter niet worden toegewezen. De aandelenoptieregeling van de moedermaatschappij voorziet in voordelen voor werknemers voor zolang de arbeidsverhouding met die moedermaatschappij of één van de dochterondernemingen voortduurt. Voordelen die te behalen zouden zijn na beëindiging van de arbeidsrelatie vallen niet onder de afspraak, zoals weergegeven in de individuele arbeidsovereenkomst of in documenten met betrekking tot de aandelenoptieregeling. Aangezien de werknemer zelf uitdrukkelijk om ontbinding per 15 april 1998 heeft verzocht, kan hij thans geen voordeel van welke dan aard dan ook meer behalen. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht