Kantonrechter Utrecht 31-07-2002 (Schokkenbroek), JAR 2002, 241


Goed werkgeverschap. Provisie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 241.

De werknemer vordert dat de werkgever hem inzage verstrekt in de stukken teneinde duidelijkheid te krijgen over het eindbedrag van de provisie-eindafrekening. De werkgever vordert terugbetaling van de werknemer van in 1999 uitbetaalde provisievoorschotten. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe. Met betrekking tot de eventuele terugbetaling stelt de kantonrechter vast dat de provisieregeling jaarlijks werd overeengekomen en dat steeds aan het einde van het lopende jaar de aanspraak werd vastgesteld. Aan de werknemer is sinds zijn indiensttreding steeds een voorschot op de provisie uitbetaald. In de jaren 1997 en 1998 is de target niet gehaald, is de bijbehorende provisie niet toegekend, maar is de werknemer provisie toegekend ter hoogte van de betaalde voorschotten, althans werd de werknemer toegestaan deze voorschotten te behouden. In 1999 is een verschil van mening ontstaan dat uiteindelijk tot het ontslag van de werknemer heeft geleid. Onbetwist is dat in de loop van 1999 bekend was dat de gestelde targets wederom niet gehaald zouden worden. Door niettemin, en dat voor het derde opeenvolgende jaar, de uitbetaling van de voorschotten niet te staken en de afrekening vooruit te schuiven tot eind 1999/begin 2000 heeft de werkgever de verwachting gewekt dat ook dat jaar de provisieaanspraken zouden worden vastgesteld op het bedrag dat overeenkomt met de in 1999 betaalde voorschotten. Het vervolgens alsnog terugvorderen van het voorschot is onder die omstandigheden in strijd met het goed werkgeverschap. De vordering van de werkgever wordt daarom afgewezen.

Terug naar overzicht