Kantonrechter Utrecht 31-10-2002 (Staal), JAR 2002, 289


Ontbinding gewichtige redenen. Ontslag op staande voet. (Voorwaardelijke).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 289.

De werkgever heeft de werknemer op staande voet ontslagen wegens het verzenden van ongeoorloofde e-mails. Thans verzoekt de werkgever voorwaardelijk ontbinding wegens een dringende reden. De werkgever stelt daartoe dat de werknemer, (vier jaar in dienst, salaris € 2.752,-- bruto per maand) in strijd met de gedragsregels van de werkgever die via een incorporatiebeding op de arbeidsovereenkomst van de werknemer van toepassing zijn, vanaf zijn werkplek een e-mail heeft gestuurd aan zijn zwager en aan diens zuster waarbij hij respectievelijk licht pornografisch materieel en beeldmateriaal van zeer onsmakelijke aard heeft meegezonden. De werknemer heeft het doen voorkomen alsof het om een zakelijke mail ging, dit in strijd met de gedragslijn van de werkgever dat bij privé-mails het woord privé of private in de rubriek onderwerp moet worden opgenomen en de mails als privé-persoon moeten worden ondertekend met weglating van zakelijke gegevens. De eerste e-mail is ontdekt door de concernafdeling veiligheidszaken. De werknemer heeft toen een berisping/waarschuwing gekregen. Bij ontdekking van de tweede e-mail is hij ontslagen. De werknemer ontkent de waarschuwing te hebben gelezen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter miskent de werknemer zowel de bijzondere positie die hij als bankmedewerker in het algemeen en automatiseringsfunctionaris in het bijzonder inneemt, als de striktheid en precisie waarmee de werkgever het (externe) e-mailverkeer aan gedragsregels heeft gebonden. Onbetwist staat vast dat de werkgever deze regels ook handhaaft. Relevant is voorts dat de werknemer heeft getracht de verzending van privé-berichten te maskeren door de berichten als zijnde zakelijk van aard te versturen. De goede staat van dienst van de werknemer is een contra-indicatie voor ontslag. Daar staat echter tegenover dat hij zeker in zijn positie beter had moeten weten en bekend had moeten zijn met het strikte beleid van zijn werkgever. Dit geldt temeer, nu hij een eerste waarschuwing heeft gehad. Ongeloofwaardig is dat hij deze thans ontkent. Met name dit laatste rechtvaardigt ontbinding wegens een dringende reden, terwijl, als de werknemer volmondig zijn fout had erkend, ontbinding wellicht niet te vermijden was geweest, maar deze gebaseerd had kunnen worden op een in lichtere mate verwijtbare gedraging van de werknemer.

Verder lezen
Terug naar overzicht