Kantonrechter Wageningen 19-11-2003 (Misdorp), JAR 2004, 10


Ontbinding gewichtige redenen. Anciënniteitsbeginsel. Uitzendarbeid. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 10.

De werknemer is op 1 maart 1996 in dienst getreden van de werkgever (salaris thans € 2.357,20 bruto per maand). Vóór 1 maart 1996 heeft de werknemer gedurende drie jaar als uitzendkracht voor de werkgever gewerkt. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De werkgever is bereid een vergoeding conform de neutrale kantonrechtersformule te betalen. De werknemer stelt onder meer dat de werkgever ten onrechte geen herplaatsingsmogelijkheden heeft onderzocht en dat de werkgever jegens hem het anciënniteitsbeginsel heeft geschonden. Hij maakt aanspraak op toepassing van een correctiefactor 1,5. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever voldoende aannemelijk gemaakt dat bedrijfseconomische omstandigheden een reorganisatie noodzakelijk hebben gemaakt. Ook kan niet om de realiteit heen worden gegaan dat de montageactiviteiten in de vestiging te Zoetermeer, die onder meer door de werknemer werden verricht, vanaf 1 september 2003 zijn gestaakt. De arbeidsovereenkomst dient derhalve te worden ontbonden. Met betrekking tot de vergoeding overweegt de kantonrechter dat bij een ontslag wegens bedrijfseconomische redenen getoetst moet worden aan de criteria in het Ontslagbesluit en in het bijzonder aan het anciënniteitsbeginsel. In onderhavige zaak heeft de werkgever twee collega's van de werknemer in juni 2003 overgeplaatst naar een andere vestiging. Aannemelijk is dat deze overplaatsing is geschied met het oog op de naderende reorganisatie. De werkgever had evenwel, toen duidelijk werd dat elders een vacature bestond, elke potentieel geschikte werknemer daarvoor moeten benaderen, in plaats van zelf twee medewerkers te selecteren. De werkgever heeft op deze wijze de werknemer, die ook voor de functie in aanmerking kwam, ten onrechte gepasseerd. Daarnaast was één van de twee werknemers die zijn overgeplaatst weliswaar twee maanden langer in dienst dan de werknemer, maar is niet gebleken dat deze werknemer ook gedurende minimaal drie jaren als uitzendkracht voor de werkgever heeft gewerkt, zoals de werknemer. De werknemer had aldus oudere rechten dan zijn collega. De werkgever had deze moeten respecteren. Gelet op dit alles is toepassing van een correctiefactor 1,5 gerechtvaardigd. Daarnaast dienen de jaren die de werknemer als uitzendkracht voor de werkgever heeft gewerkt, mee te tellen bij het berekenen van de vergoeding. Een en ander levert een vergoeding op van afgerond € 42.000,– bruto.

Terug naar overzicht