Kantonrechter Zaandam 14-12-2000 (Visser), JAR 2001, 212


Bepaalde tijd. Proeftijd. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 212.

Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode van 1 april tot 1 oktober 2000. Daarbij is schriftelijk een proeftijd overeengekomen van twee maanden. Op 9 mei 200 heeft de werkgever de werknemer ontslagen onder verwijzing naar het proeftijdbeding. De werknemer stelt dat dit ontslag nietig is omdat het proeftijdbeding nietig is, nu art. 7:652 BW bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, voor de duur van minder dan een jaar, slechts een proeftijd van maximaal één maand toelaat. Weliswaar voorziet het wetsartikel in afwijking bij CAO, maar ten tijde van het ontslag, zou geen CAO (meer) van toepassing zijn. De werkgever stelt dat wel een CAO van toepassing was, omdat de CAO voor de Houthandel algemeen verbindend was verklaard tot en met 30 april 2000. Deze CAO zou een proeftijd van twee maanden toestaan. De kantonrechter overweegt dat een, onder de werking van een algemeen verbindend verklaarde CAO bepaling, rechtsgeldig tot stand gekomen proeftijdbeding zijn geldigheid niet verliest, nadat die algemeen verbindend verklaring is afgelopen. Zou het tussen partijen overeengekomen proeftijdbeding dus worden "gedekt" door de CAO voor de Houthandel, dan mocht de werkgever de werknemer op 9 mei 2000 ontslaan. Naar het oordeel van de kantonrechter doet deze situatie zich echter niet voor, nu voornoemde CAO-bepaling slechts verwijst naar de voor 1 januari 1999 geldende tekst van art. 652 BW, die voor alle arbeidsovereenkomsten voorzag in een maximale proeftijd van twee maanden. Deze regeling is echter komen te vervallen. Het CAO-artikel, dat dateert van voor 1 januari 1999, kan om die reden reeds geen afwijking behelzen van de sinds 1 januari 1999 geldende nieuwe wettelijke regeling op dit punt. Eén en ander betekent dat het tussen partijen overeengekomen proeftijdbeding nietig is en het gegeven ontslag derhalve niet rechtsgeldig

Terug naar overzicht